słownik hiszpańsko - niderlandzki

español - Nederlands, Vlaams

fijar po niderlandzku:

1. repareren repareren


Ik kan de computer niet repareren.
Ik liet mijn broer mijn fiets repareren.
Ik wil deze klok repareren.
Mijn computer is kapot en ik moet hem laten repareren.
Ik liet mijn zoon de deur repareren.
Ik moet mijn fiets repareren.
Ik moet het repareren.
Ik heb mijn computer laten repareren.