słownik litewsko - niderlandzki

lietuvių kalba - Nederlands, Vlaams

kaltas po niderlandzku:

1. schuldig schuldig


Men kan niet ontkennen dat de gevangene schuldig is.
Je laat me zo schuldig voelen.
Ik ben jou 100 euro schuldig.
ik voel me schuldig
Hij is schuldig aan diefstal.
Het nieuwsbericht beeldde de verdachte als schuldig af, hoewel hij onschuldig bevonden was.
Voor zover ik weet, is hij schuldig.
Het kan niet ontkend worden dat hij schuldig is.
Ik ben je tien dollar schuldig.
Ik ben nergens schuldig aan.
Wij zijn er allemaal van overtuigd dat hij schuldig is.
ik voel me schuldig; zich schuldig voelen