słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

błąd po niderlandzku:

1. fout fout


Hij heeft geen fout gemaakt.
Het is moeilijk om goed van fout te onderscheiden.
Mijn fout.
Een grote fout, noemt Micklethwaith het dan ook.
Maak u geen zorgen. Het is een veel voorkomende fout.
Uw antwoord is fout.
Ik verzeker je dat een fout zoals deze nooit meer zal voorkomen.
Het idee dat men met geld om het even wat kan kopen, is fout.
Als u een fout ziet, corrigeer deze dan alstublieft.
Met uitzondering van deze fout is dit een goed verslag.
Haar naam was fout gespeld.
De tragische fout heeft veel mensen getroffen.
Ik probeerde hem duidelijk te maken dat wij niet verantwoordelijk waren voor zijn fout, maar hij wilde niet luisteren.
Voor een onbewuste fout, geen straf.
Heeft hij toegegeven dat hij fout zat?

Niderlandzkie słowo "błąd" (fout) występuje w zestawach:

Nowa książka