słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

członek po niderlandzku:

1. het lid het lid



Niderlandzkie słowo "członek" (het lid) występuje w zestawach:

LES 5 Oefeningen - woordenschat 2

2. lid


De club heeft hem als lid aanvaard.
Ik ben lid van de zeilclub.
Een Japans kind is lid van een groep, zelfs als het slaapt.
heb je je als lid aangemeld bij enigerlei clubs?
Men heeft hem als lid uitgesloten om dat hij het lidgeld niet op tijd betaald had.
De meeste arbeiders zijn lid van een vakbond.
Elk lid van de club was aanwezig.
Van welke club wil je lid worden?
Ik ben van geen enkele club lid.
Zijt ge lid van de honkbalploeg?
Litouwen is lid van de Europese Unie.
Zijt ge lid van het comité?
Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op de neus.
Vijf jaar geleden is hij lid van deze club geworden.