słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

fabuła po niderlandzku:

1. verhaal


Het is moeilijk dit verhaal aan te passen voor kinderen.
Zijn verhaal klinkt correct.
Toen ik klein was, kwamen opa en oma nog om op te passen. 's Avonds op bed las oma me voor. Of opa vertelde een verhaal.
Vertel mij een mooi verhaal.
Hij verzon dat verhaal.
Dat verhaal doet me denken aan de persoon die ik in New York heb ontmoet.
Je kan niet verwachten dat hij het verhaal kent, aangezien hij het nog niet gelezen heeft.
Mocht iemand vragen waar het in het verhaal om gaat, zou ik het echt niet weten.
Haar verhaal kan niet waar zijn. Ze liegt vaak.
Ik... dat weet ik eigenlijk ook niet, gaf Dima toe. "Soms slaat dit verhaal echt helemaal nergens op."
Wat volgt is zijn verhaal.
Zijn verhaal was te belachelijk om door wie ook te worden geloofd.
Zijn verdrietige verhaal raakte me.
Het is zijn verhaal zonder einde waaraan ik mij dood verveelde.
Alhoewel herhalend, toch een prachtig verhaal!

Niderlandzkie słowo "fabuła" (verhaal) występuje w zestawach:

Repetytorium Edek b2/c1 nl