słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

gabinet po niderlandzku:

1. kantoor kantoor


Kom ik uw kantoor binnen?
Mijn kantoor bevindt zich op de vijfde verdieping.
De deur van het kantoor is geel.
Hij werkt met mij in het kantoor.
Normaal gaat mijn vader met de bus naar kantoor.
Ik heb gisteren zijn kantoor opgebeld.
Soms ontsnap ik uit mijn kantoor om koffie te drinken.
Ze werkt als secretaresse op een kantoor.
Hij vond zijn kantoor zonder problemen.
We hebben genoeg werk te doen op kantoor.
Gisteren kwam hij naar mijn kantoor.
Je moet niet naar het kantoor komen op zaterdag.
Kunt ge met de trein naar kantoor gaan?
De mensen op kantoor zullen nooit instemmen.
Af en toe neemt hij een kijkje in deze boekhandel onderweg naar huis van kantoor.

2. de praktijk de praktijk



3. het kabinet het kabinet



Niderlandzkie słowo "gabinet" (het kabinet) występuje w zestawach:

lista rzeczowników z 'het' A-L

4. de studeerkamer de studeerkamer



5. kabinet kabinet