słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

ile po niderlandzku:

1. hoeveel


O jeetje... zuchtte Al Sayib. "Nou, hoeveel heb je nodig? Er staat iets van 10 mille op mijn offshore rekening te staan."
Voor hoeveel personen? "Voor drie."
Dima... zuchtte Al-Sayib, "hoeveel kost dit telefoongesprek je? Ik wed dat het meer is dan 99 kopeke, noob..."
Hoeveel appels?
Ik weet niet hoeveel mijn vader per jaar verdient.
Aan hoeveel studenten heb je het hoogst mogelijke cijfer gegeven?
Pas toen Chikako bij me wegging, realiseerde ik mij hoeveel ik van haar hield.
Weet gij hoeveel mensen van honger sterven op de wereld in een jaar?
In Engeland vroeg de kelner ons: hoeveel bier wilt ge? Een halve "pint" of een "pint"? Omdat we niet wisten hoeveel dat dan wel was, vroegen we hem de glazen te tonen.
Ik trachtte te weten te komen hoeveel mensen er echt wonen in deze stad.
Het gaat er niet om hoeveel boeken je leest, maar welke boeken je leest.
Als ge denkt dat ontwikkeling duur is, kijk dan eens hoeveel onwetendheid kost.
Dit bierglas heeft een inhoud van een "pint". Maar hoeveel is dat?
Wie ben ik, en zo ja, hoeveel?
Ik sta soms versteld hoeveel troep sommige mensen in één week kunnen maken.