słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

ktoś po niderlandzku:

1. iemand


Alles wat iemand over het leven moet weten, heb ik geleerd van een sneeuwpop.
Is daar iemand?
Iemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende.
Een intellectueel is iemand die iets interessanters ontdekt heeft dan seks.
Wacht even, zei Dima, terwijl hij zijn telefoon tevoorschijn haalde, "ik weet iemand die me wel wat geld zou kunnen lenen."
Ik had ooit een meester, die gooide vaak een krijtje als er iemand niet op zat te letten, en dat moest je dan naar hem terugbrengen.
Men zegt dat Amerikanen de hoeveelheid geld die iemand verdient beschouwen als een maatstaf van wat hij kan.
Van hard werken is nog nooit iemand dood gegaan. Maar waarom het risico nemen?!
Mocht iemand vragen waar het in het verhaal om gaat, zou ik het echt niet weten.
Als ge iemand 20 dollar leent en hem daarna nooit meer terugziet, dan was het dat waarschijnlijk waard.
Moest iemand me bellen tijdens mijn afwezigheid, zeg hem dan dat ik snel weer terug zal zijn.
Weet iemand hoe aan een inkomen te geraken in crisistijd?
Een eerlijke vinder is een mens, die bij de vondst van iets kostbaars, vaststelt dat iemand hem gezien heeft.
Een taal spreken is één ding, maar iemand een taal leren is iets helemaal anders.
De politie is er heel goed in om te begrijpen dat iemand mijn creditcard gestolen heeft en een heleboel geld heeft opgenomen. Het is veel moeilijker om ze bij te brengen dat "iemand mijn magische zwaard gestolen heeft".

Niderlandzkie słowo "ktoś" (iemand) występuje w zestawach:

Zaimki nieokreślone
słówka zo gezegd 1 i 2