słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

noga po niderlandzku:

1. de been de been



Niderlandzkie słowo "noga" (de been) występuje w zestawach:

części ciała - nederlands

2. het been het been



Niderlandzkie słowo "noga" (het been) występuje w zestawach:

Lichaamsdelen - części ciała

3. been been


Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen.
Een krokodil heeft zijn been afgebeten.
Hij heeft een ongeluk gehad en zijn been gebroken.
Ik was gewond aan mijn been, ik kon niet meer lopen.
Zijn gewonde been begon opnieuw te bloeden.

4. het been benen het been benen