słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

obecny po niderlandzku:

1. aanwezig aanwezig


Ik zou graag aanwezig zijn op het feest de eerste november.
Het is niet nodig dat we bij de voordracht aanwezig zijn.
Er waren duizenden mensen aanwezig.
Verscheidene leerlingen waren niet aanwezig op school wegens verkoudheid.
Hij is aanwezig op de vergadering.
Niemand was aanwezig.
Elk lid van de club was aanwezig.
Veel mensen waren aanwezig op het feest.
Wees aanwezig.
Bij de plechtigheid waren onder anderen de Duitse bondskanselier Angela Merkel, Europarlementsvoorzitter Martin Schulz (de winnaar van vorig jaar), en de Spaanse koning Felipe aanwezig.

Niderlandzkie słowo "obecny" (aanwezig) występuje w zestawach:

słówka zo gezegd 1 i 2

2. tegenwoordig tegenwoordig


Te veel kaderleden geven tegenwoordig geld uit dat ze niet verdiend hebben, om dingen te kopen die ze niet nodig hebben, om indruk te maken op mensen die ze niet eens graag zien.
De jeugd heeft tegenwoordig een voorkeur voor lang haar.
Tegenwoordig is het niet ongewoon dat een vrouw alleen reist.
Vlees kost veel tegenwoordig.
Tegenwoordig spelen kinderen niet buiten.
Walakoem-oes-salaam, Al-Sayib! antwoordde Dima, maar zette het geluid van zijn telefoon deze keer wat harder, om te voorkomen dat dit een dubbele zin zou worden. "Wat doe jij tegenwoordig?"
Walakoem-oes-salaam, Al-Sayib! antwoordde Dima. "Wat doe jij tegenwoordig?"
Het is tegenwoordig vrij normaal om jongeren tegen te komen die de Bijbel niet kennen.
De prijzen zijn hoog tegenwoordig.
Tegenwoordig kunnen mensen niet meer leven zonder klimaatregeling.