słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

odpowiadać po niderlandzku:

1. beantwoorden beantwoorden


Stel alleen vragen die zijn te beantwoorden met "ja" of "nee".
Bob kan alle vragen beantwoorden.
De grote vraag, die nooit beantwoord is, en die ik ondanks dertig jaar studie van de vrouwelijke geest nog niet kan beantwoorden, is: "Wat wil een vrouw?"
Zou ik deze brief beantwoorden?
Ik heb besloten alle vragen publiek te beantwoorden.
U moet die vragen niet beantwoorden.
De president was zo vriendelijk om mijn brief te beantwoorden.
Alleen gij kunt de vraag beantwoorden.
Ik vraag mij af of ik zijn brief moet beantwoorden.
Een idioot kan meer vragen stellen dan tien wijze mensen kunnen beantwoorden.
Hij kan haar vragen niet beantwoorden.

2. antwoord


Geef me antwoord.
Antwoord op de vraag.
Vergelijk uw antwoord met dat van Tom.
Verontschuldig mij, dat ik nu pas antwoord.
Geef in het Engels antwoord op de volgende vragen.
In afwachting van uw spoedig antwoord...
Dit antwoord maakte hem woedend.
Als je als antwoord op een vraag zegt "misschien!" dan betekent dat "zeker!".
Wanneer je een vraag stelt, verwacht je een antwoord.
Dit teken betekent dat het antwoord goed is.
Uiteindelijk heb ik het antwoord gevonden op de vraag.
Antwoord niet aan mij!
Ik moet daarover nadenken voordat ik u antwoord kan geven.
Moet je echt de vraag stellen om het antwoord te weten te komen?
Als antwoord sloeg hij mij op mijn hoofd.

Niderlandzkie słowo "odpowiadać" (antwoord) występuje w zestawach:

dzien pierwzsy sluchanie

3. antwoorden


De studenten konden niet antwoorden.
Kan iemand anders antwoorden?
Ik kan niet antwoorden op die vraag.
Ik zal u snel schriftelijk antwoorden.
De enige nuttige antwoorden zijn die antwoorden die nieuwe vragen oproepen.
Ge moet nadenken alvorens te antwoorden.
De domste vragen zijn die, waarop ik niet kan antwoorden.
Ik zal binnen drie dagen antwoorden.
Hij was met plezier bereid om te antwoorden op onze vragen in verband met de zaak.
Er bestaan geen domme vragen, alleen domme antwoorden.
Ze kon altijd op alle vragen antwoorden.
Het is moeilijk om op die vraag te antwoorden.
Een van de antwoorden is juist.

Niderlandzkie słowo "odpowiadać" (antwoorden) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 51 - 100