słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

piwo po niderlandzku:

1. bier bier


Dit bier bevat 5% alcohol.
Hij drinkt zelfs geen bier, zwijg dus van whiskey.
Hij brouwde bier.
Heeft u ook bier?
Drink niet zoveel bier.
Ik ben bier wezen drinken met mijn vrienden.
Voor vier uur geen bier!
Doe kalm aan met het bier.
In Engeland vroeg de kelner ons: hoeveel bier wilt ge? Een halve "pint" of een "pint"? Omdat we niet wisten hoeveel dat dan wel was, vroegen we hem de glazen te tonen.
Ik bestel liever bier.
Hij begon zijn maaltijd met het drinken van een half glas bier.
Ik zou heel graag een koud glas bier willen hebben.
Hoe is de wijn en hoe is het bier?
Hij was gewoon bier te drinken.
Bier alstublieft.

Niderlandzkie słowo "piwo" (bier) występuje w zestawach:

lekcja 4cd...

2. het bier het bier