słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

ręka po niderlandzku:

1. de hand de hand



2. hand hand


De hand heeft vijf vingers: duim, wijsvinger, middelvinger, ringvinger en pink.
Wat is er aan de hand?
Ze nam mijn hand.
Wat ik in mijn hand heb, is een versteende schelp.
Hij stak de hand op om een taxi te stoppen.
De dappere ridder stapt naar voren en kust de dame de hand.
De hand van Jan is rein.
De eerste keer dat ik de hand van mijn vriendin vasthield was in het spookhuis.
Spijtig genoeg heb ik nu uw formulier niet bij de hand.
Niets lijkt me tederder dan een oud koppel dat hand in hand door de straat wandelt.
Zijn hand beefde toen hij de vulpen nam om te ondertekenen.
Dima stak zijn hand in zijn zak en haalde er een gigantische aktetas uit.
Hij ging naar haar toe en ze schudden elkaar de hand.
Kamiel en Rafaël schudden elkaar de hand aan het einde van de wedstrijd.
Als de ene hand de ander wast, worden ze allebei schoon.