słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

słodki po niderlandzku:

1. zoet zoet


De thee is niet genoeg zoet.
De vrucht is zoet.
Ze proefde van de cake om te zien of hij zoet genoeg was.
Honger maakt rauwe bonen zoet.
Zout water heeft meer drijfvermogen dan zoet water.
Het was zoet.
Mooie bloemen ruiken niet noodzakelijk zoet.
Die appel is zoet.
De koek smaakt zoet.
Slaapwel. Droom zoet.
Lelies ruiken zoet.
Sommige broden zijn zoet.
Deze taart is te zoet voor mij.

Niderlandzkie słowo "słodki" (zoet) występuje w zestawach:

300 określeń po niderlandzku 51 - 100

2. schattig schattig


Ryoko heeft een schattig snoetje.
Hoe schattig!

Niderlandzkie słowo "słodki" (schattig) występuje w zestawach:

Goede reclame onderdrijft
słówka 1-200