słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

tort po niderlandzku:

1. de taart de taart



2. taart taart


Beter brood zonder boter dan taart zonder vrijheid.
Ik eet graag taart.
Wil je nog wat taart?
Uw taart is nog niet op.
Ze verdeelde de taart in vijf stukken.
Als ze geen brood hebben, laat ze dan taart eten!

Niderlandzkie słowo "tort" (taart) występuje w zestawach:

gerechten Pools