słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

ubierać po niderlandzku:

1. aankleden aankleden


Ik kleed me aan en ga naar buiten. /Ik zal me aankleden. / Ik probeer me aan te kleden.

Niderlandzkie słowo "ubierać" (aankleden) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 51 - 100
czasowniki pl - nd

2. kleden kleden



3. jurk jurk


Ik heb deze jurk voor een lage prijs gekocht.
Mag ik deze jurk passen?
Mijn nieuwe jurk is rood.
Ik kan niet kiezen welke jurk ik zal kopen.
Hiromi draagt een nieuwe jurk.
Ik vind deze blauwe jurk leuk.
Dit is de jurk die ik vorige week heb gemaakt.
Ze heeft vandaag een witte jurk aan.
Ze droeg een zijden jurk.
Ze kon zich moeilijk inhouden van lachen toen ze de jurk zag.
Deze jurk staat u erg goed.
Ze had geen jurk om naar het feest mee te gaan.