słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

wolność po niderlandzku:

1. vrijheid


Beter brood zonder boter dan taart zonder vrijheid.
Vrijheid, blijheid.
Zij stierven voor de vrijheid.
Noch Oekraïnes glorie, noch haar vrijheid is al gestorven.
Ik heb geen schrik van terroristen, wel van dezen die ons angst aanjagen over terroristen om onze vrijheid in te perken.
Wilde je me over vrijheid vertellen?
Het geld dat men heeft is een instrument voor de vrijheid; het geld dat men wil is een instrument voor onderwerping.
Persoonlijke vrijheid is de essentie van democratie.