słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

zielony po niderlandzku:

1. groen groen


Het gras is groen.
Appels zijn rood of groen.
Een oude bok lust ook nog wel een groen blaadje.
1. Wat is groen? 2. Mijn nagels zijn vandaag groen.
Heb je liever groene of rode appels?
We hebben het huis groen geschilderd.
De bergen zijn niet noodzakelijk groen.
Bestaat het in het groen?
Je hoort de weg alleen over te steken als het licht groen is.
Groen staat Alice goed.
Ik verfde het hek groen.
Maar zien ze er niet heel groen uit?
Naar men zegt is het gras in Engeland zelfs in de winter groen.
Het gazon is groen. Het groene gazon. Een groen gazon.
Courgettes zijn groen.

Niderlandzkie słowo "zielony" (groen) występuje w zestawach:

300 określeń po niderlandzku 1 - 50
svet lekcja 2
kleuren Pools