słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

zmywać po niderlandzku:

1. afwas


Ga helpen bij de afwas.
Ze was de afwas aan het doen.
Ik doe de afwas.
Na het avondeten deed ik de afwas.
Mijn vader doet dikwijls de afwas.

Niderlandzkie słowo "zmywać" (afwas) występuje w zestawach:

de tweede stap 1

2. wassen


Zij zal de fiets deze namiddag wassen.
/ was/ waste(n)/ h. gewassen
Zij wassen hun handen.
Ik betaalde mijn zoon vijf dollar om mijn auto te wassen.
Men zou zich moeten wassen.
Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Na het wassen in vorm brengen.
Ik moet een boel wassen in het weekend.
Ik heb hem zijn auto zien wassen.
Op het labeltje aan mijn sjaal staat: "Binnenstebuiten wassen en strijken." Ik vraag me af hoe ik dat moet doen.
Ik heb geen wasmachine, daarom moet ik naar de wasserette om de kleding te wassen.
Wassen voor het eerste gebruik.
Ik heb mijn kleren meegenomen om te wassen.
Kleren wassen is mijn taak.

3. afwassen


Kun je me helpen met afwassen?
Glazen kun je beter met de hand afwassen.

Niderlandzkie słowo "zmywać" (afwassen) występuje w zestawach:

Słówka Usłyszane 35

4. de afwas doen



Niderlandzkie słowo "zmywać" (de afwas doen) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 451 - 500