My lesson

 0    1 298 fiszek    kamilpiasecki9
ściągnij mp3 drukuj graj sprawdź się
 
Pytanie Odpowiedź
to agree
We agree to meet at noon.
rozpocznij naukę
afspreken
We spreken af om 12 uur.
to understand
I don't understand this word.
rozpocznij naukę
begrijpen
Ik begrijp dit woord niet.
to pay
Can you pay by card?
rozpocznij naukę
betalen
Kun je met kaart betalen?
to visit
We visit our friends on Sunday.
rozpocznij naukę
bezoeken
We bezoeken onze vrienden op zondag.
to move/exercise
It's important to move every day.
rozpocznij naukę
bewegen
Het is belangrijk om elke dag te bewegen.
to decide
She needs to decide quickly.
rozpocznij naukę
beslissen
Ze moet snel beslissen.
to bring
Can you bring me some water?
rozpocznij naukę
brengen
Kun je me wat water brengen?
to check
The doctor checks your blood pressure.
rozpocznij naukę
controleren
De dokter controleert je bloeddruk.
to participate
He participates in the course.
rozpocznij naukę
deelnemen
Hij neemt deel aan de cursus.
to think
I think it will rain tomorrow.
rozpocznij naukę
denken
Ik denk dat het morgen regent.
to last
The meeting lasts one hour.
rozpocznij naukę
duren
De vergadering duurt een uur.
to remember
I can't remember his name.
rozpocznij naukę
onthouden
Ik kan zijn naam niet onthouden.
to explain
Can you explain that again?
rozpocznij naukę
uitleggen
Kun je dat nog eens uitleggen?
to improve
I want to improve my Dutch.
rozpocznij naukę
verbeteren
Ik wil mijn Nederlands verbeteren.
to continue
We continue with the lesson.
rozpocznij naukę
doorgaan
We gaan door met de les.
to change
Everything changes over time.
rozpocznij naukę
veranderen
Alles verandert met de tijd.
to choose
You can choose one option.
rozpocznij naukę
kiezen
Je kunt één optie kiezen.
to complain
He always complains about the weather.
rozpocznij naukę
klagen
Hij klaagt altijd over het weer.
to cost
How much does this cost?
rozpocznij naukę
kosten
Hoeveel kost dit?
to lose
I lost my keys.
rozpocznij naukę
verliezen
Ik ben mijn sleutels verloren.
to follow
Follow the instructions carefully.
rozpocznij naukę
volgen
Volg de instructies zorgvuldig.
to apply for
I want to apply for a permit.
rozpocznij naukę
aanvragen
Ik wil een vergunning aanvragen.
to belong to
This belongs to the manager.
rozpocznij naukę
behoren tot
Dit behoort tot de manager.
to consist of
The team consists of five people.
rozpocznij naukę
bestaan uit
Het team bestaat uit vijf mensen.
to mean
What does this word mean?
rozpocznij naukę
betekenen
Wat betekent dit woord?
to offer
The company offers good jobs.
rozpocznij naukę
aanbieden
Het bedrijf biedt goede banen aan.
to advise
The doctor advised me to rest.
rozpocznij naukę
adviseren
De dokter adviseerde me te rusten.
to cancel
I have to cancel the appointment.
rozpocznij naukę
afzeggen
Ik moet de afspraak afzeggen.
to arrange
Can you arrange the meeting?
rozpocznij naukę
regelen
Kun je de vergadering regelen?
to book
I want to book a hotel.
rozpocznij naukę
boeken
Ik wil een hotel boeken.
to earn
She earns a good salary.
rozpocznij naukę
verdienen
Ze verdient een goed salaris.
to fill in
Fill in the form please.
rozpocznij naukę
invullen
Vul het formulier in alsjeblieft.
to return
When do you return home?
rozpocznij naukę
terugkeren
Wanneer keer je thuis terug?
to search
I'm looking for a new job.
rozpocznij naukę
zoeken
Ik zoek een nieuwe baan.
to send
I'll send you an email.
rozpocznij naukę
sturen
Ik stuur je een e-mail.
to sign
Please sign the contract.
rozpocznij naukę
ondertekenen
Teken het contract alsjeblieft.
to solve
We need to solve this problem.
rozpocznij naukę
oplossen
We moeten dit probleem oplossen.
to succeed
I hope you succeed on the exam.
rozpocznij naukę
slagen
Ik hoop dat je slaagt voor het examen.
to suggest
Can I suggest something?
rozpocznij naukę
voorstellen
Mag ik iets voorstellen?
to support
Friends support each other.
rozpocznij naukę
ondersteunen
Vrienden ondersteunen elkaar.
to translate
Can you translate this sentence?
rozpocznij naukę
vertalen
Kun je deze zin vertalen?
to trust
I trust my colleagues.
rozpocznij naukę
vertrouwen
Ik vertrouw mijn collega's.
to use
How do you use this machine?
rozpocznij naukę
gebruiken
Hoe gebruik je deze machine?
to warn
He warned me about the danger.
rozpocznij naukę
waarschuwen
Hij waarschuwde me voor het gevaar.
to wonder
I wonder what time it is.
rozpocznij naukę
zich afvragen
Ik vraag me af hoe laat het is.
appointment
I have an appointment at three.
rozpocznij naukę
afspraak
Ik heb een afspraak om drie uur.
neighbourhood
I live in a quiet neighbourhood.
rozpocznij naukę
buurt
Ik woon in een rustige buurt.
salary
His salary increased this year.
rozpocznij naukę
salaris
Zijn salaris is dit jaar gestegen.
permit
You need a permit for that.
rozpocznij naukę
vergunning
Je hebt daar een vergunning voor nodig.
complaint
She filed a complaint.
rozpocznij naukę
klacht
Ze diende een klacht in.
to ask
Can I ask you something?
rozpocznij naukę
vragen
Mag ik je iets vragen?
to answer
Please answer the question.
rozpocznij naukę
antwoorden
Beantwoord de vraag alsjeblieft.
to help
Can you help me?
rozpocznij naukę
helpen
Kun je me helpen?
to work
She works in a hospital.
rozpocznij naukę
werken
Ze werkt in een ziekenhuis.
to live
Where do you live?
rozpocznij naukę
wonen
Waar woon je?
to buy
I want to buy a bicycle.
rozpocznij naukę
kopen
Ik wil een fiets kopen.
to sell
He sells cars.
rozpocznij naukę
verkopen
Hij verkoopt auto's.
to open
Can you open the window?
rozpocznij naukę
openen
Kun je het raam openen?
to close
Please close the door.
rozpocznij naukę
sluiten
Sluit de deur alsjeblieft.
to start
The class starts at nine.
rozpocznij naukę
beginnen
De les begint om negen uur.
to finish
When does the film end?
rozpocznij naukę
eindigen
Wanneer eindigt de film?
to read
I read the newspaper every morning.
rozpocznij naukę
lezen
Ik lees elke ochtend de krant.
to write
He writes a letter to his friend.
rozpocznij naukę
schrijven
Hij schrijft een brief aan zijn vriend.
to listen
Listen carefully!
rozpocznij naukę
luisteren
Luister goed!
to speak
Do you speak Dutch?
rozpocznij naukę
spreken
Spreek je Nederlands?
to eat
We eat dinner at six.
rozpocznij naukę
eten
We eten om zes uur.
to drink
Would you like to drink something?
rozpocznij naukę
drinken
Wil je iets drinken?
to sleep
I sleep eight hours a night.
rozpocznij naukę
slapen
Ik slaap acht uur per nacht.
to walk
She walks to school every day.
rozpocznij naukę
lopen
Ze loopt elke dag naar school.
to run
He runs five kilometres every morning.
rozpocznij naukę
rennen
Hij rent elke ochtend vijf kilometer.
to sit
Please sit down.
rozpocznij naukę
zitten
Ga alsjeblieft zitten.
to stand
He stands at the bus stop.
rozpocznij naukę
staan
Hij staat bij de bushalte.
to wait
We wait for the bus.
rozpocznij naukę
wachten
We wachten op de bus.
to arrive
The train arrives at eight.
rozpocznij naukę
aankomen
De trein komt om acht uur aan.
to leave
When does the bus leave?
rozpocznij naukę
vertrekken
Wanneer vertrekt de bus?
to travel
I love to travel.
rozpocznij naukę
reizen
Ik reis graag.
to drive
She drives to work.
rozpocznij naukę
rijden
Ze rijdt naar haar werk.
to call
I'll call you tonight.
rozpocznij naukę
bellen
Ik bel je vanavond.
to say
What did you say?
rozpocznij naukę
zeggen
Wat zei je?
to know
I don't know the answer.
rozpocznij naukę
weten
Ik weet het antwoord niet.
to forget
Don't forget your keys!
rozpocznij naukę
vergeten
Vergeet je sleutels niet!
to find
I can't find my wallet.
rozpocznij naukę
vinden
Ik kan mijn portemonnee niet vinden.
to give
Can you give me a hand?
rozpocznij naukę
geven
Kun je me een hand geven?
to take
Take the second street on the left.
rozpocznij naukę
nemen
Neem de tweede straat links.
to put
Put the book on the table.
rozpocznij naukę
zetten
Zet het boek op de tafel.
to make
She makes delicious food.
rozpocznij naukę
maken
Ze maakt heerlijk eten.
to need
I need more time.
rozpocznij naukę
nodig hebben
Ik heb meer tijd nodig.
to want
What do you want to eat?
rozpocznij naukę
willen
Wat wil je eten?
to like
I like this neighbourhood.
rozpocznij naukę
leuk vinden
Ik vind deze buurt leuk.
to love
He loves his family.
rozpocznij naukę
houden van
Hij houdt van zijn familie.
to hate
She hates being late.
rozpocznij naukę
haten
Ze haat het om te laat te zijn.
to try
Try to speak Dutch.
rozpocznij naukę
proberen
Probeer Nederlands te spreken.
to practice
Practice makes perfect.
rozpocznij naukę
oefenen
Oefening baart kunst.
to study
She studies medicine.
rozpocznij naukę
studeren
Ze studeert medicijnen.
to learn
I want to learn Dutch.
rozpocznij naukę
leren
Ik wil Nederlands leren.
to teach
He teaches at a university.
rozpocznij naukę
onderwijzen
Hij onderwijst aan een universiteit.
to show
Can you show me the way?
rozpocznij naukę
laten zien
Kun je me de weg laten zien?
to meet
Nice to meet you.
rozpocznij naukę
ontmoeten
Aangenaam kennis te maken.
to invite
I want to invite you to dinner.
rozpocznij naukę
uitnodigen
Ik wil je uitnodigen voor het avondeten.
to congratulate
I congratulate you on your birthday.
rozpocznij naukę
feliciteren
Ik feliciteer je met je verjaardag.
to celebrate
We celebrate Christmas together.
rozpocznij naukę
vieren
We vieren Kerstmis samen.
to plan
Let's plan the holiday.
rozpocznij naukę
plannen
Laten we de vakantie plannen.
to prepare
She prepares for the exam.
rozpocznij naukę
voorbereiden
Ze bereidt zich voor op het examen.
to clean
He cleans the house on Saturday.
rozpocznij naukę
schoonmaken
Hij maakt het huis schoon op zaterdag.
to cook
I cook dinner every evening.
rozpocznij naukę
koken
Ik kook elke avond het avondeten.
to wash
Wash your hands before eating.
rozpocznij naukę
wassen
Was je handen voor het eten.
to repair
The mechanic repairs the car.
rozpocznij naukę
repareren
De monteur repareert de auto.
to build
They are building a new house.
rozpocznij naukę
bouwen
Ze bouwen een nieuw huis.
to design
She designs websites.
rozpocznij naukę
ontwerpen
Ze ontwerpt websites.
to draw
The child draws a picture.
rozpocznij naukę
tekenen
Het kind tekent een tekening.
to paint
He paints landscapes.
rozpocznij naukę
schilderen
Hij schildert landschappen.
to sing
She sings in a choir.
rozpocznij naukę
zingen
Ze zingt in een koor.
to play
The children play outside.
rozpocznij naukę
spelen
De kinderen spelen buiten.
to win
Our team won the match.
rozpocznij naukę
winnen
Ons team won de wedstrijd.
to lose a game
We lost the game.
rozpocznij naukę
verliezen
We verloren het spel.
to exercise
I exercise three times a week.
rozpocznij naukę
sporten
Ik sport drie keer per week.
to swim
He swims every morning.
rozpocznij naukę
zwemmen
Hij zwemt elke ochtend.
to cycle
Many Dutch people cycle to work.
rozpocznij naukę
fietsen
Veel Nederlanders fietsen naar het werk.
to rent
We rent an apartment in the city.
rozpocznij naukę
huren
We huren een appartement in de stad.
to borrow
Can I borrow your pen?
rozpocznij naukę
lenen
Mag ik je pen lenen?
to save
She saves money every month.
rozpocznij naukę
sparen
Ze spaart elke maand geld.
to spend
He spends too much money.
rozpocznij naukę
uitgeven
Hij geeft te veel geld uit.
to share
We share the costs.
rozpocznij naukę
delen
We delen de kosten.
to apply
I applied for a new job.
rozpocznij naukę
solliciteren
Ik solliciteerde naar een nieuwe baan.
to interview
They interviewed ten candidates.
rozpocznij naukę
interviewen
Ze interviewden tien kandidaten.
to hire
The company hired three people.
rozpocznij naukę
aannemen
Het bedrijf nam drie mensen aan.
to fire
He was fired last week.
rozpocznij naukę
ontslaan
Hij werd vorige week ontslagen.
to retire
She retires next year.
rozpocznij naukę
met pensioen gaan
Ze gaat volgend jaar met pensioen.
to vote
Did you vote in the election?
rozpocznij naukę
stemmen
Heb je gestemd bij de verkiezingen?
to complain
He complained about the noise.
rozpocznij naukę
klagen
Hij klaagde over het lawaai.
to agree with
I agree with your opinion.
rozpocznij naukę
het eens zijn met
Ik ben het eens met jouw mening.
to disagree
We disagree on this point.
rozpocznij naukę
het oneens zijn
We zijn het oneens over dit punt.
to discuss
Let's discuss the problem.
rozpocznij naukę
bespreken
Laten we het probleem bespreken.
to argue
They argue about money.
rozpocznij naukę
ruziemaken
Ze maken ruzie over geld.
to apologise
I apologise for being late.
rozpocznij naukę
zich verontschuldigen
Ik verontschuldig me voor het te laat zijn.
to forgive
Can you forgive me?
rozpocznij naukę
vergeven
Kun je me vergeven?
to promise
I promise to be on time.
rozpocznij naukę
beloven
Ik beloof op tijd te zijn.
to refuse
She refused to sign the contract.
rozpocznij naukę
weigeren
Ze weigerde het contract te tekenen.
to accept
He accepted the offer.
rozpocznij naukę
accepteren
Hij accepteerde het aanbod.
to reject
The application was rejected.
rozpocznij naukę
afwijzen
De aanvraag werd afgewezen.
to confirm
Please confirm your reservation.
rozpocznij naukę
bevestigen
Bevestig alsjeblieft uw reservering.
to receive
Did you receive my email?
rozpocznij naukę
ontvangen
Heb je mijn e-mail ontvangen?
to deliver
The parcel was delivered yesterday.
rozpocznij naukę
bezorgen
Het pakket werd gisteren bezorgd.
to order
I'd like to order a coffee.
rozpocznij naukę
bestellen
Ik wil graag een koffie bestellen.
to reserve
I'd like to reserve a table.
rozpocznij naukę
reserveren
Ik wil graag een tafel reserveren.
to complain about
She complained about the service.
rozpocznij naukę
klagen over
Ze klaagde over de service.
to depend on
It depends on the weather.
rozpocznij naukę
afhangen van
Het hangt af van het weer.
to consist of
Breakfast consists of bread and cheese.
rozpocznij naukę
bestaan uit
Het ontbijt bestaat uit brood en kaas.
to result in
Stress can lead to health problems.
rozpocznij naukę
leiden tot
Stress kan leiden tot gezondheidsproblemen.
to take care of
She takes care of her elderly mother.
rozpocznij naukę
zorgen voor
Ze zorgt voor haar bejaarde moeder.
to be responsible for
He is responsible for the project.
rozpocznij naukę
verantwoordelijk zijn voor
Hij is verantwoordelijk voor het project.
to be interested in
Are you interested in art?
rozpocznij naukę
geïnteresseerd zijn in
Ben je geïnteresseerd in kunst?
to be afraid of
She is afraid of heights.
rozpocznij naukę
bang zijn voor
Ze is bang voor hoogten.
to be proud of
I am proud of my children.
rozpocznij naukę
trots zijn op
Ik ben trots op mijn kinderen.
to be used to
I'm used to cold weather.
rozpocznij naukę
gewend zijn aan
Ik ben gewend aan koud weer.
to look forward to
I look forward to the holidays.
rozpocznij naukę
uitkijken naar
Ik kijk uit naar de vakantie.
to complain
Stop moaning about everything.
rozpocznij naukę
mopperen
Stop met mopperen over alles.
to concentrate
I can't concentrate with that noise.
rozpocznij naukę
concentreren
Ik kan me niet concentreren met dat lawaai.
to communicate
It's important to communicate clearly.
rozpocznij naukę
communiceren
Het is belangrijk om duidelijk te communiceren.
to cooperate
We cooperate with other organisations.
rozpocznij naukę
samenwerken
We werken samen met andere organisaties.
to compete
Companies compete for customers.
rozpocznij naukę
concurreren
Bedrijven concurreren om klanten.
to contribute
Everyone should contribute to society.
rozpocznij naukę
bijdragen
Iedereen zou moeten bijdragen aan de samenleving.
to benefit from
You can benefit from this offer.
rozpocznij naukę
profiteren van
Je kunt profiteren van dit aanbod.
to suffer from
He suffers from back pain.
rozpocznij naukę
lijden aan
Hij lijdt aan rugpijn.
to recover from
She is recovering from her illness.
rozpocznij naukę
herstellen van
Ze herstelt van haar ziekte.
to deal with
How do you deal with stress?
rozpocznij naukę
omgaan met
Hoe ga je om met stress?
to refer to
The doctor referred me to a specialist.
rozpocznij naukę
verwijzen naar
De dokter verwees me naar een specialist.
to consist of
The course consists of ten lessons.
rozpocznij naukę
bestaan uit
De cursus bestaat uit tien lessen.
neighbour
My neighbour is very friendly.
rozpocznij naukę
buur
Mijn buur is erg vriendelijk.
colleague
She introduced her colleague.
rozpocznij naukę
collega
Ze stelde haar collega voor.
employee
The employees work hard.
rozpocznij naukę
werknemer
De werknemers werken hard.
employer
The employer offers good benefits.
rozpocznij naukę
werkgever
De werkgever biedt goede voordelen.
customer
The customer is always right.
rozpocznij naukę
klant
De klant heeft altijd gelijk.
citizen
Every citizen has rights.
rozpocznij naukę
burger
Elke burger heeft rechten.
volunteer
She works as a volunteer.
rozpocznij naukę
vrijwilliger
Ze werkt als vrijwilliger.
patient
The patient waits in the waiting room.
rozpocznij naukę
patiënt
De patiënt wacht in de wachtkamer.
candidate
Three candidates applied for the job.
rozpocznij naukę
kandidaat
Drie kandidaten solliciteerden op de baan.
member
He is a member of the club.
rozpocznij naukę
lid
Hij is lid van de club.
owner
Who is the owner of this car?
rozpocznij naukę
eigenaar
Wie is de eigenaar van deze auto?
manager
The manager held a meeting.
rozpocznij naukę
manager
De manager hield een vergadering.
government
The government announced new rules.
rozpocznij naukę
overheid
De overheid kondigde nieuwe regels aan.
law
Everyone must follow the law.
rozpocznij naukę
wet
Iedereen moet de wet volgen.
rule
What are the rules here?
rozpocznij naukę
regel
Wat zijn hier de regels?
right
You have the right to remain silent.
rozpocznij naukę
recht
Je hebt het recht om te zwijgen.
duty
It is your duty to vote.
rozpocznij naukę
plicht
Het is je plicht om te stemmen.
freedom
Freedom of speech is important.
rozpocznij naukę
vrijheid
Vrijheid van meningsuiting is belangrijk.
responsibility
Take responsibility for your actions.
rozpocznij naukę
verantwoordelijkheid
Neem verantwoordelijkheid voor je acties.
opportunity
This is a great opportunity.
rozpocznij naukę
kans
Dit is een geweldige kans.
experience
She has a lot of experience.
rozpocznij naukę
ervaring
Ze heeft veel ervaring.
knowledge
Knowledge is power.
rozpocznij naukę
kennis
Kennis is macht.
skill
Good communication is an important skill.
rozpocznij naukę
vaardigheid
Goede communicatie is een belangrijke vaardigheid.
education
A good education opens doors.
rozpocznij naukę
opleiding
Een goede opleiding opent deuren.
training
The training lasts three days.
rozpocznij naukę
training
De training duurt drie dagen.
certificate
She received a certificate.
rozpocznij naukę
certificaat
Ze ontving een certificaat.
degree
He has a university degree.
rozpocznij naukę
diploma
Hij heeft een universitair diploma.
exam
The exam is on Friday.
rozpocznij naukę
examen
Het examen is op vrijdag.
result
The results will be announced next week.
rozpocznij naukę
resultaat
De resultaten worden volgende week bekendgemaakt.
grade
She got a high grade.
rozpocznij naukę
cijfer
Ze kreeg een hoog cijfer.
mistake
Everyone makes mistakes.
rozpocznij naukę
fout
Iedereen maakt fouten.
advice
Can you give me some advice?
rozpocznij naukę
advies
Kun je me wat advies geven?
information
I need more information.
rozpocznij naukę
informatie
Ik heb meer informatie nodig.
news
Have you heard the latest news?
rozpocznij naukę
nieuws
Heb je het laatste nieuws gehoord?
report
She wrote a detailed report.
rozpocznij naukę
rapport
Ze schreef een gedetailleerd rapport.
letter
I received a letter from the bank.
rozpocznij naukę
brief
Ik ontving een brief van de bank.
form
Please fill in this form.
rozpocznij naukę
formulier
Vul dit formulier alsjeblieft in.
document
Sign the document here.
rozpocznij naukę
document
Teken het document hier.
contract
Read the contract carefully.
rozpocznij naukę
contract
Lees het contract zorgvuldig.
agreement
We reached an agreement.
rozpocznij naukę
overeenkomst
We bereikten een overeenkomst.
meeting
The meeting starts at ten.
rozpocznij naukę
vergadering
De vergadering begint om tien uur.
presentation
She gave an excellent presentation.
rozpocznij naukę
presentatie
Ze gaf een uitstekende presentatie.
project
The project is almost finished.
rozpocznij naukę
project
Het project is bijna klaar.
deadline
The deadline is tomorrow.
rozpocznij naukę
deadline
De deadline is morgen.
problem
There is a problem with the system.
rozpocznij naukę
probleem
Er is een probleem met het systeem.
solution
We found a solution.
rozpocznij naukę
oplossing
We vonden een oplossing.
plan
What is your plan?
rozpocznij naukę
plan
Wat is jouw plan?
goal
My goal is to speak fluent Dutch.
rozpocznij naukę
doel
Mijn doel is vloeiend Nederlands spreken.
result
What was the outcome?
rozpocznij naukę
uitkomst
Wat was de uitkomst?
progress
I see good progress.
rozpocznij naukę
vooruitgang
Ik zie goede vooruitgang.
success
I wish you success.
rozpocznij naukę
succes
Ik wens je succes.
failure
Failure is part of learning.
rozpocznij naukę
mislukking
Mislukking maakt deel uit van leren.
effort
It takes a lot of effort.
rozpocznij naukę
inspanning
Het kost veel inspanning.
difference
What is the difference?
rozpocznij naukę
verschil
Wat is het verschil?
similarity
There are many similarities.
rozpocznij naukę
overeenkomst
Er zijn veel overeenkomsten.
advantage
What are the advantages?
rozpocznij naukę
voordeel
Wat zijn de voordelen?
disadvantage
There are some disadvantages.
rozpocznij naukę
nadeel
Er zijn enkele nadelen.
choice
It is your choice.
rozpocznij naukę
keuze
Het is jouw keuze.
decision
Make a decision now.
rozpocznij naukę
beslissing
Neem nu een beslissing.
opinion
In my opinion this is wrong.
rozpocznij naukę
mening
Naar mijn mening is dit fout.
reason
What is the reason for this?
rozpocznij naukę
reden
Wat is de reden hiervoor?
cause
What caused the problem?
rozpocznij naukę
oorzaak
Wat veroorzaakte het probleem?
effect
What is the effect of stress?
rozpocznij naukę
effect
Wat is het effect van stress?
example
Can you give an example?
rozpocznij naukę
voorbeeld
Kun je een voorbeeld geven?
question
I have a question.
rozpocznij naukę
vraag
Ik heb een vraag.
answer
I don't know the answer.
rozpocznij naukę
antwoord
Ik weet het antwoord niet.
subject
What is the subject of the email?
rozpocznij naukę
onderwerp
Wat is het onderwerp van de e-mail?
topic
The topic of the lesson is grammar.
rozpocznij naukę
thema
Het thema van de les is grammatica.
language
How many languages do you speak?
rozpocznij naukę
taal
Hoeveel talen spreek je?
translation
The translation is incorrect.
rozpocznij naukę
vertaling
De vertaling is onjuist.
pronunciation
Dutch pronunciation is difficult.
rozpocznij naukę
uitspraak
De Nederlandse uitspraak is moeilijk.
grammar
Grammar is important in language learning.
rozpocznij naukę
grammatica
Grammatica is belangrijk bij taalonderwijs.
vocabulary
You need to expand your vocabulary.
rozpocznij naukę
woordenschat
Je moet je woordenschat uitbreiden.
sentence
Write a sentence with this word.
rozpocznij naukę
zin
Schrijf een zin met dit woord.
word
What does this word mean?
rozpocznij naukę
woord
Wat betekent dit woord?
meaning
What is the meaning of this?
rozpocznij naukę
betekenis
Wat is de betekenis hiervan?
definition
Look up the definition in the dictionary.
rozpocznij naukę
definitie
Zoek de definitie op in het woordenboek.
dictionary
I always use a dictionary.
rozpocznij naukę
woordenboek
Ik gebruik altijd een woordenboek.
exercise
Do the exercises on page five.
rozpocznij naukę
oefening
Doe de oefeningen op pagina vijf.
lesson
The lesson lasts forty-five minutes.
rozpocznij naukę
les
De les duurt vijfenveertig minuten.
course
I am taking a Dutch course.
rozpocznij naukę
cursus
Ik volg een Nederlandse cursus.
school
The children go to school.
rozpocznij naukę
school
De kinderen gaan naar school.
university
She studies at a university.
rozpocznij naukę
universiteit
Ze studeert aan een universiteit.
library
I borrowed a book from the library.
rozpocznij naukę
bibliotheek
Ik leende een boek van de bibliotheek.
hospital
He was taken to hospital.
rozpocznij naukę
ziekenhuis
Hij werd naar het ziekenhuis gebracht.
pharmacy
I need to go to the pharmacy.
rozpocznij naukę
apotheek
Ik moet naar de apotheek.
doctor
I have an appointment with the doctor.
rozpocznij naukę
dokter
Ik heb een afspraak bij de dokter.
dentist
She goes to the dentist twice a year.
rozpocznij naukę
tandarts
Ze gaat twee keer per jaar naar de tandarts.
nurse
The nurse took my blood pressure.
rozpocznij naukę
verpleegkundige
De verpleegkundige mat mijn bloeddruk.
medicine
Take this medicine twice a day.
rozpocznij naukę
medicijn
Neem dit medicijn twee keer per dag.
pain
I have a pain in my back.
rozpocznij naukę
pijn
Ik heb pijn in mijn rug.
illness
She has a serious illness.
rozpocznij naukę
ziekte
Ze heeft een ernstige ziekte.
health
Health is more important than money.
rozpocznij naukę
gezondheid
Gezondheid is belangrijker dan geld.
insurance
Do you have health insurance?
rozpocznij naukę
verzekering
Heb je een zorgverzekering?
emergency
Call the emergency services!
rozpocznij naukę
noodgeval
Bel de hulpdiensten!
accident
There was an accident on the road.
rozpocznij naukę
ongeluk
Er was een ongeluk op de weg.
injury
He sustained a minor injury.
rozpocznij naukę
verwonding
Hij liep een kleine verwonding op.
operation
She had an operation last week.
rozpocznij naukę
operatie
Ze had vorige week een operatie.
appointment
I need to make an appointment.
rozpocznij naukę
afspraak
Ik moet een afspraak maken.
waiting room
Please wait in the waiting room.
rozpocznij naukę
wachtkamer
Wacht alsjeblieft in de wachtkamer.
prescription
The doctor gave me a prescription.
rozpocznij naukę
recept
De dokter gaf me een recept.
symptom
What are the symptoms?
rozpocznij naukę
symptoom
Wat zijn de symptomen?
allergy
I have an allergy to peanuts.
rozpocznij naukę
allergie
Ik ben allergisch voor pinda's.
diet
She is on a strict diet.
rozpocznij naukę
dieet
Ze is op een streng dieet.
exercise
Regular exercise is good for your health.
rozpocznij naukę
lichaamsbeweging
Regelmatige lichaamsbeweging is goed voor je gezondheid.
stress
He suffers from a lot of stress.
rozpocznij naukę
stress
Hij lijdt aan veel stress.
rest
You need to get some rest.
rozpocznij naukę
rust
Je moet wat rust nemen.
sleep
A good night's sleep is important.
rozpocznij naukę
slaap
Een goede nachtrust is belangrijk.
flat
They live in a flat in Amsterdam.
rozpocznij naukę
appartement
Ze wonen in een appartement in Amsterdam.
house
We bought a new house.
rozpocznij naukę
huis
We kochten een nieuw huis.
room
The room is small but cosy.
rozpocznij naukę
kamer
De kamer is klein maar gezellig.
kitchen
She cooks in the kitchen.
rozpocznij naukę
keuken
Ze kookt in de keuken.
bathroom
The bathroom needs cleaning.
rozpocznij naukę
badkamer
De badkamer moet schoongemaakt worden.
bedroom
The bedroom is on the first floor.
rozpocznij naukę
slaapkamer
De slaapkamer is op de eerste verdieping.
living room
We watch TV in the living room.
rozpocznij naukę
woonkamer
We kijken TV in de woonkamer.
garden
He grows vegetables in the garden.
rozpocznij naukę
tuin
Hij kweekt groenten in de tuin.
balcony
She drinks coffee on the balcony.
rozpocznij naukę
balkon
Ze drinkt koffie op het balkon.
furniture
They bought new furniture.
rozpocznij naukę
meubels
Ze kochten nieuwe meubels.
rent
The rent increased this year.
rozpocznij naukę
huur
De huur steeg dit jaar.
mortgage
They took out a mortgage.
rozpocznij naukę
hypotheek
Ze namen een hypotheek.
landlord
The landlord fixed the heating.
rozpocznij naukę
verhuurder
De verhuurder repareerde de verwarming.
tenant
The tenant pays rent on time.
rozpocznij naukę
huurder
De huurder betaalt de huur op tijd.
address
What is your address?
rozpocznij naukę
adres
Wat is jouw adres?
postcode
What is the postcode here?
rozpocznij naukę
postcode
Wat is hier de postcode?
street
She lives on a quiet street.
rozpocznij naukę
straat
Ze woont op een rustige straat.
city
Amsterdam is a beautiful city.
rozpocznij naukę
stad
Amsterdam is een mooie stad.
village
He grew up in a small village.
rozpocznij naukę
dorp
Hij groeide op in een klein dorp.
country
Which country are you from?
rozpocznij naukę
land
Uit welk land kom je?
region
This region is known for its cheese.
rozpocznij naukę
regio
Deze regio is bekend om zijn kaas.
border
We crossed the border.
rozpocznij naukę
grens
We staken de grens over.
capital
Amsterdam is the capital of the Netherlands.
rozpocznij naukę
hoofdstad
Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
public transport
I use public transport every day.
rozpocznij naukę
openbaar vervoer
Ik gebruik elke dag het openbaar vervoer.
train
The train is often on time.
rozpocznij naukę
trein
De trein is vaak op tijd.
bus
Which bus goes to the centre?
rozpocznij naukę
bus
Welke bus gaat naar het centrum?
tram
The tram stops here.
rozpocznij naukę
tram
De tram stopt hier.
bicycle
She cycles everywhere.
rozpocznij naukę
fiets
Ze fietst overal heen.
car
He drives to work by car.
rozpocznij naukę
auto
Hij rijdt met de auto naar zijn werk.
ticket
I need to buy a train ticket.
rozpocznij naukę
kaartje
Ik moet een treinkaartje kopen.
platform
The train departs from platform three.
rozpocznij naukę
perron
De trein vertrekt van perron drie.
station
The station is in the centre.
rozpocznij naukę
station
Het station staat in het centrum.
airport
The airport is outside the city.
rozpocznij naukę
luchthaven
De luchthaven ligt buiten de stad.
flight
The flight is delayed.
rozpocznij naukę
vlucht
De vlucht heeft vertraging.
passport
Don't forget your passport.
rozpocznij naukę
paspoort
Vergeet je paspoort niet.
luggage
I have only one piece of luggage.
rozpocznij naukę
bagage
Ik heb maar één stuk bagage.
hotel
We stay in a hotel downtown.
rozpocznij naukę
hotel
We verblijven in een hotel in het centrum.
reservation
I have a reservation for tonight.
rozpocznij naukę
reservering
Ik heb een reservering voor vanavond.
check-in
Check-in starts at two o'clock.
rozpocznij naukę
inchecken
Inchecken begint om twee uur.
supermarket
The supermarket is around the corner.
rozpocznij naukę
supermarkt
De supermarkt is om de hoek.
bakery
The bakery opens at seven.
rozpocznij naukę
bakkerij
De bakkerij opent om zeven uur.
butcher
She buys meat at the butcher.
rozpocznij naukę
slager
Ze koopt vlees bij de slager.
market
There is a market on Saturday.
rozpocznij naukę
markt
Er is zaterdag een markt.
shop
The shop closes at six.
rozpocznij naukę
winkel
De winkel sluit om zes uur.
price
The price has gone up.
rozpocznij naukę
prijs
De prijs is gestegen.
discount
Is there a discount?
rozpocznij naukę
korting
Is er korting?
receipt
Can I have a receipt?
rozpocznij naukę
bon
Mag ik een bon?
cash
Do you have cash?
rozpocznij naukę
contant geld
Heb je contant geld?
credit card
Can I pay by credit card?
rozpocznij naukę
creditcard
Kan ik met een creditcard betalen?
bank account
I opened a bank account.
rozpocznij naukę
bankrekening
Ik opende een bankrekening.
loan
He took out a loan.
rozpocznij naukę
lening
Hij nam een lening.
interest
The interest rate is low.
rozpocznij naukę
rente
De rente is laag.
tax
Everyone pays taxes.
rozpocznij naukę
belasting
Iedereen betaalt belasting.
invoice
Please send me the invoice.
rozpocznij naukę
factuur
Stuur me alsjeblieft de factuur.
budget
We need to stick to our budget.
rozpocznij naukę
budget
We moeten ons aan ons budget houden.
profit
The company made a profit.
rozpocznij naukę
winst
Het bedrijf maakte winst.
loss
They suffered a loss.
rozpocznij naukę
verlies
Ze leden een verlies.
cost
What are the total costs?
rozpocznij naukę
kosten
Wat zijn de totale kosten?
income
Her income has increased.
rozpocznij naukę
inkomen
Haar inkomen is gestegen.
expense
Food is my biggest expense.
rozpocznij naukę
uitgave
Eten is mijn grootste uitgave.
investment
It is a good investment.
rozpocznij naukę
investering
Het is een goede investering.
weather
The weather is nice today.
rozpocznij naukę
weer
Het weer is vandaag mooi.
temperature
The temperature drops at night.
rozpocznij naukę
temperatuur
De temperatuur daalt 's nachts.
rain
It rains a lot in autumn.
rozpocznij naukę
regen
Het regent veel in de herfst.
snow
There is snow in the mountains.
rozpocznij naukę
sneeuw
Er is sneeuw in de bergen.
wind
The wind is strong today.
rozpocznij naukę
wind
De wind is vandaag sterk.
storm
There was a big storm last night.
rozpocznij naukę
storm
Er was gisteravond een grote storm.
sunshine
I enjoy the sunshine.
rozpocznij naukę
zonneschijn
Ik geniet van de zonneschijn.
cloud
The sky is full of clouds.
rozpocznij naukę
wolk
De lucht is vol wolken.
fog
There is thick fog on the road.
rozpocznij naukę
mist
Er is dikke mist op de weg.
frost
There was frost last night.
rozpocznij naukę
vorst
Er was gisteravond vorst.
flood
The flood caused a lot of damage.
rozpocznij naukę
overstroming
De overstroming veroorzaakte veel schade.
drought
The drought affected the harvest.
rozpocznij naukę
droogte
De droogte beïnvloedde de oogst.
climate
Climate change is a serious problem.
rozpocznij naukę
klimaat
Klimaatverandering is een ernstig probleem.
environment
We must protect the environment.
rozpocznij naukę
milieu
We moeten het milieu beschermen.
pollution
Air pollution is bad for health.
rozpocznij naukę
vervuiling
Luchtvervuiling is slecht voor de gezondheid.
energy
Renewable energy is the future.
rozpocznij naukę
energie
Hernieuwbare energie is de toekomst.
electricity
The electricity was cut off.
rozpocznij naukę
elektriciteit
De elektriciteit werd afgesneden.
gas
The gas bill is very high.
rozpocznij naukę
gas
De gasrekening is erg hoog.
water
Save water when possible.
rozpocznij naukę
water
Bespaar water waar mogelijk.
recycling
Recycling is important for the planet.
rozpocznij naukę
recycling
Recycling is belangrijk voor de planeet.
waste
Put the waste in the bin.
rozpocznij naukę
afval
Gooi het afval in de prullenbak.
nature
I love walking in nature.
rozpocznij naukę
natuur
Ik hou van wandelen in de natuur.
forest
There is a large forest nearby.
rozpocznij naukę
bos
Er is een groot bos in de buurt.
river
The river flows through the city.
rozpocznij naukę
rivier
De rivier stroomt door de stad.
sea
We went to the sea in summer.
rozpocznij naukę
zee
We gingen in de zomer naar de zee.
mountain
He climbed the mountain.
rozpocznij naukę
berg
Hij beklom de berg.
island
She lives on a small island.
rozpocznij naukę
eiland
Ze woont op een klein eiland.
beach
We spent the day at the beach.
rozpocznij naukę
strand
We brachten de dag door op het strand.
park
The children play in the park.
rozpocznij naukę
park
De kinderen spelen in het park.
animal
There are many animals in the zoo.
rozpocznij naukę
dier
Er zijn veel dieren in de dierentuin.
plant
She waters the plants every day.
rozpocznij naukę
plant
Ze geeft elke dag water aan de planten.
flower
He gave her a bunch of flowers.
rozpocznij naukę
bloem
Hij gaf haar een bos bloemen.
tree
The tree is very old.
rozpocznij naukę
boom
De boom is erg oud.
food
Fresh food is important.
rozpocznij naukę
voedsel
Vers voedsel is belangrijk.
vegetable
Eat more vegetables.
rozpocznij naukę
groente
Eet meer groenten.
fruit
Fresh fruit is healthy.
rozpocznij naukę
fruit
Vers fruit is gezond.
meat
She doesn't eat meat.
rozpocznij naukę
vlees
Ze eet geen vlees.
fish
Fish is rich in protein.
rozpocznij naukę
vis
Vis is rijk aan eiwitten.
bread
Dutch people eat a lot of bread.
rozpocznij naukę
brood
Nederlanders eten veel brood.
cheese
The Netherlands is famous for its cheese.
rozpocznij naukę
kaas
Nederland is beroemd om zijn kaas.
milk
I drink a glass of milk every morning.
rozpocznij naukę
melk
Ik drink elke ochtend een glas melk.
coffee
Would you like a cup of coffee?
rozpocznij naukę
koffie
Wil je een kopje koffie?
tea
I prefer tea in the evening.
rozpocznij naukę
thee
Ik geef de voorkeur aan thee 's avonds.
water
I drink two litres of water a day.
rozpocznij naukę
water
Ik drink twee liter water per dag.
juice
She drinks orange juice for breakfast.
rozpocznij naukę
sap
Ze drinkt sinaasappelsap bij het ontbijt.
beer
Dutch beer is well known.
rozpocznij naukę
bier
Nederlands bier is goed bekend.
wine
A glass of wine with dinner.
rozpocznij naukę
wijn
Een glas wijn bij het avondeten.
breakfast
I never skip breakfast.
rozpocznij naukę
ontbijt
Ik sla het ontbijt nooit over.
lunch
We have lunch at noon.
rozpocznij naukę
lunch
We lunchen om twaalf uur.
dinner
Dinner is ready at six.
rozpocznij naukę
avondeten
Het avondeten is om zes uur klaar.
snack
She eats a snack at three.
rozpocznij naukę
snack
Ze eet om drie uur een snack.
recipe
I tried a new recipe.
rozpocznij naukę
recept
Ik probeerde een nieuw recept.
ingredient
What ingredients do you need?
rozpocznij naukę
ingrediënt
Welke ingrediënten heb je nodig?
flavour
The flavour is delicious.
rozpocznij naukę
smaak
De smaak is heerlijk.
portion
The portion is very large.
rozpocznij naukę
portie
De portie is erg groot.
menu
Can I see the menu?
rozpocznij naukę
menu
Mag ik het menu zien?
waiter
The waiter took our order.
rozpocznij naukę
ober
De ober nam onze bestelling op.
tip
Did you leave a tip?
rozpocznij naukę
fooi
Heb je fooi gegeven?
bill
Can we have the bill please?
rozpocznij naukę
rekening
Kunnen we de rekening alstublieft krijgen?
restaurant
Let's go to a restaurant.
rozpocznij naukę
restaurant
Laten we naar een restaurant gaan.
café
I work in a café.
rozpocznij naukę
café
Ik werk in een café.
bar
He met his friends at the bar.
rozpocznij naukę
kroeg
Hij ontmoette zijn vrienden in de kroeg.
family
Family is very important.
rozpocznij naukę
familie
Familie is erg belangrijk.
parents
My parents live nearby.
rozpocznij naukę
ouders
Mijn ouders wonen in de buurt.
mother
My mother is a teacher.
rozpocznij naukę
moeder
Mijn moeder is lerares.
father
His father works in construction.
rozpocznij naukę
vader
Zijn vader werkt in de bouw.
child
The child is very curious.
rozpocznij naukę
kind
Het kind is erg nieuwsgierig.
baby
The baby is sleeping.
rozpocznij naukę
baby
De baby slaapt.
brother
My brother lives in Rotterdam.
rozpocznij naukę
broer
Mijn broer woont in Rotterdam.
sister
Her sister is a nurse.
rozpocznij naukę
zus
Haar zus is verpleegkundige.
grandmother
My grandmother makes great soup.
rozpocznij naukę
oma
Mijn oma maakt geweldige soep.
grandfather
He visits his grandfather every week.
rozpocznij naukę
opa
Hij bezoekt zijn opa elke week.
aunt
My aunt lives in Belgium.
rozpocznij naukę
tante
Mijn tante woont in België.
uncle
His uncle is a doctor.
rozpocznij naukę
oom
Zijn oom is dokter.
cousin
She has many cousins.
rozpocznij naukę
neef/nicht
Ze heeft veel neven en nichten.
husband
Her husband works abroad.
rozpocznij naukę
echtgenoot
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
wife
His wife is a lawyer.
rozpocznij naukę
echtgenote
Zijn echtgenote is advocaat.
partner
My partner and I travel a lot.
rozpocznij naukę
partner
Mijn partner en ik reizen veel.
friend
She is my best friend.
rozpocznij naukę
vriend
Ze is mijn beste vriendin.
colleague
He is a helpful colleague.
rozpocznij naukę
collega
Hij is een behulpzame collega.
boss
My boss is very demanding.
rozpocznij naukę
baas
Mijn baas is erg veeleisend.
stranger
Don't talk to strangers.
rozpocznij naukę
vreemde
Praat niet met vreemden.
age
What is your age?
rozpocznij naukę
leeftijd
Wat is je leeftijd?
birthday
Happy birthday!
rozpocznij naukę
verjaardag
Gefeliciteerd met je verjaardag!
hobby
What are your hobbies?
rozpocznij naukę
hobby
Wat zijn je hobby's?
interest
I have an interest in music.
rozpocznij naukę
interesse
Ik heb interesse in muziek.
sport
Which sport do you play?
rozpocznij naukę
sport
Welke sport beoefen je?
music
She plays music every evening.
rozpocznij naukę
muziek
Ze speelt elke avond muziek.
film
What kind of films do you like?
rozpocznij naukę
film
Wat voor films vind je leuk?
book
I read a book every week.
rozpocznij naukę
boek
Ik lees elke week een boek.
art
She is interested in modern art.
rozpocznij naukę
kunst
Ze is geïnteresseerd in moderne kunst.
theatre
We went to the theatre.
rozpocznij naukę
theater
We gingen naar het theater.
concert
The concert was amazing.
rozpocznij naukę
concert
Het concert was geweldig.
museum
The museum is open on Sunday.
rozpocznij naukę
museum
Het museum is zondag open.
exhibition
There is an interesting exhibition.
rozpocznij naukę
tentoonstelling
Er is een interessante tentoonstelling.
festival
The festival attracts many visitors.
rozpocznij naukę
festival
Het festival trekt veel bezoekers.
party
She organised a party.
rozpocznij naukę
feest
Ze organiseerde een feest.
celebration
The celebration was unforgettable.
rozpocznij naukę
viering
De viering was onvergetelijk.
holiday
Where did you go on holiday?
rozpocznij naukę
vakantie
Waar ging je op vakantie?
trip
We made a trip to Belgium.
rozpocznij naukę
reis
We maakten een reis naar België.
journey
The journey took three hours.
rozpocznij naukę
tocht
De tocht duurde drie uur.
destination
What is your destination?
rozpocznij naukę
bestemming
Wat is je bestemming?
culture
Dutch culture is fascinating.
rozpocznij naukę
cultuur
De Nederlandse cultuur is fascinerend.
tradition
Every country has its own traditions.
rozpocznij naukę
traditie
Elk land heeft zijn eigen tradities.
habit
It is a bad habit.
rozpocznij naukę
gewoonte
Het is een slechte gewoonte.
custom
It is a local custom.
rozpocznij naukę
gebruik
Het is een plaatselijk gebruik.
value
Family values are important.
rozpocznij naukę
waarde
Familiewaarden zijn belangrijk.
belief
She has strong beliefs.
rozpocznij naukę
overtuiging
Ze heeft sterke overtuigingen.
religion
They respect different religions.
rozpocznij naukę
religie
Ze respecteren verschillende religies.
politics
I don't talk about politics.
rozpocznij naukę
politiek
Ik praat niet over politiek.
election
The election is next month.
rozpocznij naukę
verkiezing
De verkiezing is volgende maand.
party
Which political party do you support?
rozpocznij naukę
partij
Welke politieke partij steun je?
prime minister
The prime minister gave a speech.
rozpocznij naukę
minister-president
De minister-president hield een toespraak.
minister
The minister announced new policy.
rozpocznij naukę
minister
De minister kondigde nieuw beleid aan.
policy
The company has a clear policy.
rozpocznij naukę
beleid
Het bedrijf heeft een duidelijk beleid.
economy
The economy is growing.
rozpocznij naukę
economie
De economie groeit.
unemployment
Unemployment is rising.
rozpocznij naukę
werkloosheid
De werkloosheid neemt toe.
poverty
Poverty is a global problem.
rozpocznij naukę
armoede
Armoede is een wereldwijd probleem.
inequality
Social inequality must be addressed.
rozpocznij naukę
ongelijkheid
Sociale ongelijkheid moet worden aangepakt.
immigration
Immigration policy is debated.
rozpocznij naukę
immigratie
Immigratiebeleid wordt bediscussieerd.
integration
Integration into society takes time.
rozpocznij naukę
integratie
Integratie in de samenleving kost tijd.
diversity
Diversity makes society richer.
rozpocznij naukę
diversiteit
Diversiteit maakt de samenleving rijker.
discrimination
Discrimination is not acceptable.
rozpocznij naukę
discriminatie
Discriminatie is niet acceptabel.
equality
Equality is a fundamental right.
rozpocznij naukę
gelijkheid
Gelijkheid is een fundamenteel recht.
justice
Everyone deserves justice.
rozpocznij naukę
rechtvaardigheid
Iedereen verdient rechtvaardigheid.
crime
The crime rate has dropped.
rozpocznij naukę
misdaad
Het misdaadcijfer is gedaald.
police
Call the police!
rozpocznij naukę
politie
Bel de politie!
court
The case went to court.
rozpocznij naukę
rechtbank
De zaak ging naar de rechtbank.
judge
The judge made a decision.
rozpocznij naukę
rechter
De rechter nam een beslissing.
prison
He was sent to prison.
rozpocznij naukę
gevangenis
Hij werd naar de gevangenis gestuurd.
fine
She got a fine for speeding.
rozpocznij naukę
boete
Ze kreeg een boete voor te hard rijden.
technology
Technology changes fast.
rozpocznij naukę
technologie
Technologie verandert snel.
computer
My computer is broken.
rozpocznij naukę
computer
Mijn computer is kapot.
internet
The internet connection is slow.
rozpocznij naukę
internet
De internetverbinding is traag.
website
Visit our website for more information.
rozpocznij naukę
website
Bezoek onze website voor meer informatie.
app
Download the app for free.
rozpocznij naukę
app
Download de app gratis.
smartphone
She is always on her smartphone.
rozpocznij naukę
smartphone
Ze is altijd op haar smartphone.
social media
Social media can be addictive.
rozpocznij naukę
sociale media
Sociale media kunnen verslavend zijn.
email
I'll send you an email tonight.
rozpocznij naukę
e-mail
Ik stuur je vanavond een e-mail.
password
Don't share your password.
rozpocznij naukę
wachtwoord
Deel je wachtwoord niet.
data
Your data is protected.
rozpocznij naukę
data
Jouw data is beschermd.
software
Update your software regularly.
rozpocznij naukę
software
Update je software regelmatig.
screen
The screen is cracked.
rozpocznij naukę
scherm
Het scherm is gebarsten.
keyboard
The keyboard is not working.
rozpocznij naukę
toetsenbord
Het toetsenbord werkt niet.
printer
The printer is out of paper.
rozpocznij naukę
printer
De printer heeft geen papier meer.
network
Connect to the network.
rozpocznij naukę
netwerk
Verbind met het netwerk.
to download
I downloaded the file.
rozpocznij naukę
downloaden
Ik downloadde het bestand.
to upload
She uploaded the photo.
rozpocznij naukę
uploaden
Ze uploadde de foto.
to search online
I searched online for information.
rozpocznij naukę
online zoeken
Ik zocht online naar informatie.
to log in
Log in with your username.
rozpocznij naukę
inloggen
Log in met je gebruikersnaam.
to log out
Don't forget to log out.
rozpocznij naukę
uitloggen
Vergeet niet uit te loggen.
to save a file
Save the file before closing.
rozpocznij naukę
een bestand opslaan
Sla het bestand op voor het sluiten.
to delete
Delete the old files.
rozpocznij naukę
verwijderen
Verwijder de oude bestanden.
job
She found a new job.
rozpocznij naukę
baan
Ze vond een nieuwe baan.
career
He has a successful career.
rozpocznij naukę
carrière
Hij heeft een succesvolle carrière.
profession
What is your profession?
rozpocznij naukę
beroep
Wat is je beroep?
office
The office is on the third floor.
rozpocznij naukę
kantoor
Het kantoor is op de derde verdieping.
factory
He works in a factory.
rozpocznij naukę
fabriek
Hij werkt in een fabriek.
shop
She manages a small shop.
rozpocznij naukę
winkel
Ze beheert een kleine winkel.
company
The company has fifty employees.
rozpocznij naukę
bedrijf
Het bedrijf heeft vijftig werknemers.
organisation
She works for a charity organisation.
rozpocznij naukę
organisatie
Ze werkt voor een liefdadigheidsorganisatie.
department
Which department do you work in?
rozpocznij naukę
afdeling
Op welke afdeling werk je?
colleague
My colleagues are very supportive.
rozpocznij naukę
collega
Mijn collega's zijn erg ondersteunend.
task
I have many tasks today.
rozpocznij naukę
taak
Ik heb vandaag veel taken.
workload
The workload is too high.
rozpocznij naukę
werkdruk
De werkdruk is te hoog.
shift
She works the night shift.
rozpocznij naukę
dienst
Ze werkt de nachtdienst.
overtime
He does a lot of overtime.
rozpocznij naukę
overwerk
Hij doet veel overwerk.
break
I need a short break.
rozpocznij naukę
pauze
Ik heb een korte pauze nodig.
promotion
She got a promotion.
rozpocznij naukę
promotie
Ze kreeg een promotie.
raise
He asked for a raise.
rozpocznij naukę
loonsverhoging
Hij vroeg om een loonsverhoging.
resignation
She handed in her resignation.
rozpocznij naukę
ontslag
Ze diende haar ontslag in.
unemployment benefit
He receives unemployment benefit.
rozpocznij naukę
werkloosheidsuitkering
Hij ontvangt een werkloosheidsuitkering.
to negotiate
They negotiated a better deal.
rozpocznij naukę
onderhandelen
Ze onderhandelden over een betere deal.
to manage
She manages a team of ten.
rozpocznij naukę
beheren
Ze beheert een team van tien.
to organise
He organises the events.
rozpocznij naukę
organiseren
Hij organiseert de evenementen.
to present
She presented the results.
rozpocznij naukę
presenteren
Ze presenteerde de resultaten.
to evaluate
We evaluate performance every year.
rozpocznij naukę
evalueren
We evalueren de prestaties elk jaar.
to implement
The plan was implemented successfully.
rozpocznij naukę
implementeren
Het plan werd succesvol geïmplementeerd.
to achieve
She achieved her goals.
rozpocznij naukę
bereiken
Ze bereikte haar doelen.
to develop
He developed a new product.
rozpocznij naukę
ontwikkelen
Hij ontwikkelde een nieuw product.
to research
Scientists research new medicines.
rozpocznij naukę
onderzoeken
Wetenschappers onderzoeken nieuwe medicijnen.
to analyse
We need to analyse the data.
rozpocznij naukę
analyseren
We moeten de data analyseren.
to compare
Compare the two options.
rozpocznij naukę
vergelijken
Vergelijk de twee opties.
to calculate
Can you calculate the total?
rozpocznij naukę
berekenen
Kun je het totaal berekenen?
to estimate
It is hard to estimate the cost.
rozpocznij naukę
schatten
Het is moeilijk om de kosten te schatten.
to measure
Measure the room carefully.
rozpocznij naukę
meten
Meet de kamer zorgvuldig op.
to test
We will test the system tomorrow.
rozpocznij naukę
testen
We testen het systeem morgen.
to prove
He proved his innocence.
rozpocznij naukę
bewijzen
Hij bewees zijn onschuld.
to predict
It is hard to predict the future.
rozpocznij naukę
voorspellen
Het is moeilijk de toekomst te voorspellen.
to influence
Friends influence your choices.
rozpocznij naukę
beïnvloeden
Vrienden beïnvloeden je keuzes.
to affect
Stress affects your health.
rozpocznij naukę
beïnvloeden
Stress beïnvloedt je gezondheid.
to cause
What caused the accident?
rozpocznij naukę
veroorzaken
Wat veroorzaakte het ongeluk?
to prevent
How can we prevent this?
rozpocznij naukę
voorkomen
Hoe kunnen we dit voorkomen?
to reduce
We need to reduce waste.
rozpocznij naukę
verminderen
We moeten afval verminderen.
to increase
The number of students is increasing.
rozpocznij naukę
toenemen
Het aantal studenten neemt toe.
to decrease
Sales have decreased this year.
rozpocznij naukę
afnemen
De verkoop is dit jaar afgenomen.
to maintain
We must maintain the equipment.
rozpocznij naukę
onderhouden
We moeten de apparatuur onderhouden.
to replace
Replace the battery every year.
rozpocznij naukę
vervangen
Vervang de batterij elk jaar.
to improve
The service has improved a lot.
rozpocznij naukę
verbeteren
De service is veel verbeterd.
to review
Please review the document.
rozpocznij naukę
beoordelen
Beoordeel het document alsjeblieft.
to update
Update your contact information.
rozpocznij naukę
bijwerken
Werk uw contactinformatie bij.
to report
Report any problems immediately.
rozpocznij naukę
rapporteren
Meld eventuele problemen onmiddellijk.
to record
Record your hours carefully.
rozpocznij naukę
registreren
Registreer je uren zorgvuldig.
to store
Store the data securely.
rozpocznij naukę
opslaan
Sla de gegevens veilig op.
to protect
We protect your personal data.
rozpocznij naukę
beschermen
We beschermen uw persoonlijke gegevens.
to access
Only staff can access this area.
rozpocznij naukę
toegang hebben tot
Alleen personeel heeft toegang tot dit gebied.
to connect
Connect the cable to the computer.
rozpocznij naukę
verbinden
Verbind de kabel met de computer.
to communicate
It's important to communicate well.
rozpocznij naukę
communiceren
Het is belangrijk om goed te communiceren.
to negotiate
He negotiated a lower price.
rozpocznij naukę
onderhandelen
Hij onderhandelde over een lagere prijs.
to complain
She complained to the manager.
rozpocznij naukę
klagen
Ze klaagde bij de manager.
to request
I request your cooperation.
rozpocznij naukę
verzoeken
Ik verzoek om uw medewerking.
to demand
He demanded an explanation.
rozpocznij naukę
eisen
Hij eiste een verklaring.
to permit
Smoking is not permitted here.
rozpocznij naukę
toestaan
Roken is hier niet toegestaan.
to forbid
It is forbidden to park here.
rozpocznij naukę
verbieden
Het is verboden om hier te parkeren.
to require
The job requires experience.
rozpocznij naukę
vereisen
De baan vereist ervaring.
to recommend
I recommend this restaurant.
rozpocznij naukę
aanbevelen
Ik beveel dit restaurant aan.
to guarantee
We guarantee quality.
rozpocznij naukę
garanderen
We garanderen kwaliteit.
to provide
They provide free training.
rozpocznij naukę
verstrekken
Ze verstrekken gratis training.
to limit
We must limit our expenses.
rozpocznij naukę
beperken
We moeten onze uitgaven beperken.
to expand
The company wants to expand.
rozpocznij naukę
uitbreiden
Het bedrijf wil uitbreiden.
to establish
They established a new company.
rozpocznij naukę
oprichten
Ze richtten een nieuw bedrijf op.
to found
The organisation was founded in 1990.
rozpocznij naukę
oprichten
De organisatie werd opgericht in 1990.
to close down
The factory closed down.
rozpocznij naukę
sluiten
De fabriek sloot.
to merge
The two companies merged.
rozpocznij naukę
fuseren
De twee bedrijven fuseerden.
to invest
They invested in new technology.
rozpocznij naukę
investeren
Ze investeerden in nieuwe technologie.
to produce
The factory produces cars.
rozpocznij naukę
produceren
De fabriek produceert auto's.
to export
The Netherlands exports a lot of food.
rozpocznij naukę
exporteren
Nederland exporteert veel voedsel.
to import
We import goods from Asia.
rozpocznij naukę
importeren
We importeren goederen uit Azië.
to distribute
They distribute products nationwide.
rozpocznij naukę
distribueren
Ze distribueren producten door het hele land.
to market
The new product will be marketed next month.
rozpocznij naukę
op de markt brengen
Het nieuwe product wordt volgende maand op de markt gebracht.
to advertise
They advertise on social media.
rozpocznij naukę
adverteren
Ze adverteren op sociale media.
to promote
He promotes healthy living.
rozpocznij naukę
promoten
Hij promoot een gezonde levensstijl.
to launch
The company launched a new app.
rozpocznij naukę
lanceren
Het bedrijf lanceerde een nieuwe app.
to innovate
We must innovate to stay competitive.
rozpocznij naukę
innoveren
We moeten innoveren om concurrerend te blijven.
to collaborate
Let's collaborate on this project.
rozpocznij naukę
samenwerken
Laten we samenwerken aan dit project.
to network
She networks at every event.
rozpocznij naukę
netwerken
Ze netwerkт bij elk evenement.
to present
He presented his ideas clearly.
rozpocznij naukę
presenteren
Hij presenteerde zijn ideeën duidelijk.
to demonstrate
She demonstrated the new software.
rozpocznij naukę
demonstreren
Ze demonstreerde de nieuwe software.
to inspect
The inspector inspected the building.
rozpocznij naukę
inspecteren
De inspecteur inspecteert het gebouw.
to approve
The manager approved the plan.
rozpocznij naukę
goedkeuren
De manager keurde het plan goed.
to reject
The proposal was rejected.
rozpocznij naukę
afwijzen
Het voorstel werd afgewezen.
to postpone
The meeting was postponed.
rozpocznij naukę
uitstellen
De vergadering werd uitgesteld.
to reschedule
Can we reschedule for next week?
rozpocznij naukę
verzetten
Kunnen we het verzetten naar volgende week?
to attend
Everyone must attend the meeting.
rozpocznij naukę
bijwonen
Iedereen moet de vergadering bijwonen.
to cancel
The event was cancelled.
rozpocznij naukę
annuleren
Het evenement werd geannuleerd.
to schedule
Schedule a meeting for Monday.
rozpocznij naukę
plannen
Plan een vergadering voor maandag.
to complete
He completed the task on time.
rozpocznij naukę
voltooien
Hij voltooide de taak op tijd.
to submit
Submit the report by Friday.
rozpocznij naukę
indienen
Dien het rapport in voor vrijdag.
to revise
Revise your answer before submitting.
rozpocznij naukę
herzien
Herzie je antwoord voor het indienen.
to review
The committee reviewed the application.
rozpocznij naukę
herzien
De commissie herzag de aanvraag.
to assess
Teachers assess students regularly.
rozpocznij naukę
beoordelen
Leraren beoordelen studenten regelmatig.
to qualify
She qualified for the final round.
rozpocznij naukę
kwalificeren
Ze kwalificeerde zich voor de finale ronde.
to specialise
He specialises in tax law.
rozpocznij naukę
specialiseren
Hij is gespecialiseerd in belastingrecht.
to concentrate on
She concentrates on her studies.
rozpocznij naukę
zich concentreren op
Ze concentreert zich op haar studie.
to focus on
Focus on the most important tasks.
rozpocznij naukę
focussen op
Concentreer je op de belangrijkste taken.
gradually
The situation improved gradually.
rozpocznij naukę
geleidelijk
De situatie verbeterde geleidelijk.
immediately
Call me immediately if there is a problem.
rozpocznij naukę
onmiddellijk
Bel me onmiddellijk als er een probleem is.
eventually
Eventually he found a solution.
rozpocznij naukę
uiteindelijk
Uiteindelijk vond hij een oplossing.
meanwhile
Meanwhile the others waited outside.
rozpocznij naukę
ondertussen
Ondertussen wachtten de anderen buiten.
therefore
It was raining therefore we stayed home.
rozpocznij naukę
daarom
Het regende dus bleven we thuis.
however
The plan was good however it failed.
rozpocznij naukę
echter
Het plan was goed maar het mislukte.
although
Although it was cold we went outside.
rozpocznij naukę
hoewel
Hoewel het koud was gingen we naar buiten.
unless
Unless you hurry you will be late.
rozpocznij naukę
tenzij
Tenzij je je haast zul je te laat zijn.
whereas
She likes sport whereas he prefers reading.
rozpocznij naukę
terwijl
Ze houdt van sport terwijl hij liever leest.
furthermore
The price is high furthermore the quality is poor.
rozpocznij naukę
bovendien
De prijs is hoog en bovendien is de kwaliteit slecht.
nevertheless
It was difficult nevertheless he succeeded.
rozpocznij naukę
toch
Het was moeilijk maar toch slaagde hij.
on the other hand
On the other hand there are advantages.
rozpocznij naukę
aan de andere kant
Aan de andere kant zijn er voordelen.
in addition
In addition we offer free parking.
rozpocznij naukę
daarnaast
Daarnaast bieden we gratis parkeren aan.
as a result
As a result production increased.
rozpocznij naukę
als gevolg
Als gevolg nam de productie toe.
due to
Due to the rain the event was cancelled.
rozpocznij naukę
vanwege
Vanwege de regen werd het evenement geannuleerd.
according to
According to the report sales increased.
rozpocznij naukę
volgens
Volgens het rapport is de verkoop gestegen.
in spite of
In spite of the difficulties she succeeded.
rozpocznij naukę
ondanks
Ondanks de moeilijkheden slaagde ze.
instead of
Use water instead of oil.
rozpocznij naukę
in plaats van
Gebruik water in plaats van olie.
as well as
She speaks French as well as Dutch.
rozpocznij naukę
evenals
Ze spreekt Frans evenals Nederlands.
in order to
He studied hard in order to pass.
rozpocznij naukę
om te
Hij studeerde hard om te slagen.
provided that
You can go provided that you finish first.
rozpocznij naukę
mits
Je kunt gaan mits je eerst klaar bent.
to hesitate
Don't hesitate to ask for help.
rozpocznij naukę
aarzelen
Aarzel niet om hulp te vragen.
to convince
He convinced her to stay.
rozpocznij naukę
overtuigen
Hij overtuigde haar om te blijven.
to motivate
A good leader motivates the team.
rozpocznij naukę
motiveren
Een goede leider motiveert het team.
to interrupt
Please don't interrupt me.
rozpocznij naukę
onderbreken
Onderbreek me alsjeblieft niet.
to estimate
Can you estimate the time needed?
rozpocznij naukę
schatten
Kun je de benodigde tijd schatten?
to assume
I assume you have read the contract.
rozpocznij naukę
aannemen
Ik neem aan dat je het contract hebt gelezen.
to conclude
We can conclude that it works.
rozpocznij naukę
concluderen
We kunnen concluderen dat het werkt.
to summarise
Can you summarise the article?
rozpocznij naukę
samenvatten
Kun je het artikel samenvatten?
to emphasise
She emphasised the importance of punctuality.
rozpocznij naukę
benadrukken
Ze benadrukte het belang van stiptheid.
to illustrate
He illustrated his point with examples.
rozpocznij naukę
illustreren
Hij illustreerde zijn punt met voorbeelden.
to indicate
The sign indicates the exit.
rozpocznij naukę
aangeven
Het bord geeft de uitgang aan.
to represent
She represents the company abroad.
rozpocznij naukę
vertegenwoordigen
Ze vertegenwoordigt het bedrijf in het buitenland.
to respond
Please respond to the email.
rozpocznij naukę
reageren
Reageer alsjeblieft op de e-mail.
to ensure
Please ensure the door is locked.
rozpocznij naukę
zorgen voor
Zorg er alsjeblieft voor dat de deur op slot is.
to maintain
We maintain high standards.
rozpocznij naukę
handhaven
We handhaven hoge standaarden.
to achieve
She achieved her dream.
rozpocznij naukę
verwezenlijken
Ze verwezenlijkte haar droom.
to adapt
He adapted quickly to the new job.
rozpocznij naukę
aanpassen
Hij paste zich snel aan de nieuwe baan aan.
to adjust
Adjust the settings if necessary.
rozpocznij naukę
aanpassen
Pas de instellingen indien nodig aan.
to overcome
She overcame her fear of flying.
rozpocznij naukę
overwinnen
Ze overwon haar vliegangst.
to endure
He endured many difficulties.
rozpocznij naukę
doorstaan
Hij doorstond veel moeilijkheden.
to succeed
It didn't work out as planned.
rozpocznij naukę
lukken
Het lukte niet zoals gepland.
to turn out
It turned out to be a great idea.
rozpocznij naukę
blijken
Het bleek een geweldig idee te zijn.
to point out
She pointed out the mistake.
rozpocznij naukę
wijzen op
Ze wees op de fout.
to carry out
The plan was carried out perfectly.
rozpocznij naukę
uitvoeren
Het plan werd perfect uitgevoerd.
to take part
Everyone is welcome to take part.
rozpocznij naukę
deelnemen
Iedereen is welkom om deel te nemen.
to make use of
Make use of every opportunity.
rozpocznij naukę
gebruik maken van
Maak gebruik van elke kans.
to get used to
It takes time to get used to a new country.
rozpocznij naukę
wennen aan
Het kost tijd om te wennen aan een nieuw land.
to be aware of
Be aware of the risks.
rozpocznij naukę
bewust zijn van
Wees je bewust van de risico's.
to keep in mind
Keep in mind that the deadline is Friday.
rozpocznij naukę
in gedachten houden
Houd in gedachten dat de deadline vrijdag is.
to take into account
Take the weather into account.
rozpocznij naukę
rekening houden met
Houd rekening met het weer.
to run out of
We have run out of milk.
rozpocznij naukę
opraken
We zijn door de melk heen.
to come across
I came across an interesting article.
rozpocznij naukę
tegenkomen
Ik kwam een interessant artikel tegen.
to look up
Look up the word in the dictionary.
rozpocznij naukę
opzoeken
Zoek het woord op in het woordenboek.
to point at
He pointed at the map.
rozpocznij naukę
wijzen naar
Hij wees naar de kaart.
to give up
Never give up on your dreams.
rozpocznij naukę
opgeven
Geef je dromen nooit op.
to put off
Don't put off what you can do today.
rozpocznij naukę
uitstellen
Stel niet uit wat je vandaag kunt doen.
to announce
The government announced new measures.
rozpocznij naukę
aankondigen
De overheid kondigde nieuwe maatregelen aan.
to investigate
Police are investigating the incident.
rozpocznij naukę
onderzoeken
De politie onderzoekt het incident.
to confirm
The minister confirmed the news.
rozpocznij naukę
bevestigen
De minister bevestigde het nieuws.
to deny
He denied all accusations.
rozpocznij naukę
ontkennen
Hij ontkende alle beschuldigingen.
to resign
The minister resigned yesterday.
rozpocznij naukę
aftreden
De minister trad gisteren af.
to protest
Thousands protested in the streets.
rozpocznij naukę
protesteren
Duizenden protesteerden op straat.
to demonstrate
People demonstrated against the new law.
rozpocznij naukę
demonstreren
Mensen demonstreerden tegen de nieuwe wet.
to report
Journalists reported from the scene.
rozpocznij naukę
rapporteren
Journalisten rapporteerden vanaf de locatie.
to broadcast
The news was broadcast live.
rozpocznij naukę
uitzenden
Het nieuws werd live uitgezonden.
to publish
The newspaper published the story.
rozpocznij naukę
publiceren
De krant publiceerde het verhaal.
to reveal
The report revealed serious problems.
rozpocznij naukę
onthullen
Het rapport onthulde ernstige problemen.
to warn
Experts warn about climate risks.
rozpocznij naukę
waarschuwen
Experts waarschuwen voor klimaatrisico's.
to threaten
The storm threatens the coast.
rozpocznij naukę
dreigen
De storm bedreigt de kust.
to support
Many people support the new policy.
rozpocznij naukę
steunen
Veel mensen steunen het nieuwe beleid.
to oppose
Several parties oppose the plan.
rozpocznij naukę
zich verzetten tegen
Meerdere partijen verzetten zich tegen het plan.
to criticise
The opposition criticised the budget.
rozpocznij naukę
bekritiseren
De oppositie bekritiseerde de begroting.
to approve
Parliament approved the new law.
rozpocznij naukę
goedkeuren
Het parlement keurde de nieuwe wet goed.
to reject
The proposal was rejected by the senate.
rozpocznij naukę
verwerpen
Het voorstel werd door de senaat verworpen.
to negotiate
The two countries are negotiating a deal.
rozpocznij naukę
onderhandelen
De twee landen onderhandelen over een akkoord.
to sign
Both leaders signed the agreement.
rozpocznij naukę
ondertekenen
Beide leiders ondertekenden de overeenkomst.
to impose
The EU imposed new sanctions.
rozpocznij naukę
opleggen
De EU legde nieuwe sancties op.
to lift
The ban was lifted after two years.
rozpocznij naukę
opheffen
Het verbod werd na twee jaar opgeheven.
to fund
The project is funded by the government.
rozpocznij naukę
financieren
Het project wordt gefinancierd door de overheid.
to cut
The government cut spending on health.
rozpocznij naukę
bezuinigen
De overheid bezuinigde op de zorguitgaven.
to raise
Taxes were raised by five percent.
rozpocznij naukę
verhogen
De belastingen werden met vijf procent verhoogd.
to drop
Unemployment dropped to a record low.
rozpocznij naukę
dalen
De werkloosheid daalde naar een recordlaag.
to rise
House prices continue to rise.
rozpocznij naukę
stijgen
Huizenprijzen blijven stijgen.
to collapse
The company collapsed overnight.
rozpocznij naukę
instorten
Het bedrijf stortte 's nachts in.
to recover
The economy is slowly recovering.
rozpocznij naukę
herstellen
De economie herstelt langzaam.
to grow
The population is growing rapidly.
rozpocznij naukę
groeien
De bevolking groeit snel.
to shrink
The workforce is shrinking.
rozpocznij naukę
krimpen
De beroepsbevolking krimpt.
to spread
The virus spread quickly.
rozpocznij naukę
verspreiden
Het virus verspreidde zich snel.
to contain
Authorities tried to contain the outbreak.
rozpocznij naukę
indammen
Autoriteiten probeerden de uitbraak in te dammen.
to affect
The floods affected thousands of people.
rozpocznij naukę
treffen
De overstromingen troffen duizenden mensen.
to damage
The storm damaged many homes.
rozpocznij naukę
beschadigen
De storm beschadigde veel huizen.
to destroy
The fire destroyed the building.
rozpocznij naukę
vernietigen
De brand vernietigde het gebouw.
to rebuild
They are rebuilding the damaged area.
rozpocznij naukę
herbouwen
Ze herbouwen het beschadigde gebied.
to evacuate
Residents were evacuated from their homes.
rozpocznij naukę
evacueren
Bewoners werden geëvacueerd uit hun huizen.
to rescue
Firefighters rescued twelve people.
rozpocznij naukę
redden
Brandweerlieden redden twaalf mensen.
to survive
Three passengers survived the crash.
rozpocznij naukę
overleven
Drie passagiers overleefden de crash.
to arrest
The suspect was arrested last night.
rozpocznij naukę
arresteren
De verdachte werd gisteravond gearresteerd.
to charge
He was charged with fraud.
rozpocznij naukę
beschuldigen
Hij werd beschuldigd van fraude.
to sentence
She was sentenced to three years.
rozpocznij naukę
veroordelen
Ze werd veroordeeld tot drie jaar.
to release
The hostages were released unharmed.
rozpocznij naukę
vrijlaten
De gijzelaars werden ongedeerd vrijgelaten.
to ban
The product was banned in Europe.
rozpocznij naukę
verbieden
Het product werd verboden in Europa.
to allow
Visitors are allowed in the museum.
rozpocznij naukę
toestaan
Bezoekers zijn welkom in het museum.
to introduce
The company introduced a new system.
rozpocznij naukę
invoeren
Het bedrijf voerde een nieuw systeem in.
to abolish
The law was abolished in 2020.
rozpocznij naukę
afschaffen
De wet werd afgeschaft in 2020.
to reform
The government wants to reform healthcare.
rozpocznij naukę
hervormen
De overheid wil de gezondheidszorg hervormen.
to modernise
The infrastructure needs to be modernised.
rozpocznij naukę
moderniseren
De infrastructuur moet worden gemoderniseerd.
incident
A serious incident occurred downtown.
rozpocznij naukę
incident
Er deed zich een ernstig incident voor in het centrum.
crisis
The country is facing an economic crisis.
rozpocznij naukę
crisis
Het land staat voor een economische crisis.
conflict
The conflict has lasted for years.
rozpocznij naukę
conflict
Het conflict duurt al jaren.
agreement
A new trade agreement was reached.
rozpocznij naukę
akkoord
Een nieuw handelsakkoord werd bereikt.
treaty
Both countries signed the treaty.
rozpocznij naukę
verdrag
Beide landen ondertekenden het verdrag.
sanction
New sanctions were imposed on the country.
rozpocznij naukę
sanctie
Nieuwe sancties werden opgelegd aan het land.
measure
Strict measures have been introduced.
rozpocznij naukę
maatregel
Strenge maatregelen zijn ingevoerd.
regulation
New regulations apply from January.
rozpocznij naukę
regulering
Nieuwe regelgeving geldt vanaf januari.
legislation
The legislation will be updated.
rozpocznij naukę
wetgeving
De wetgeving zal worden bijgewerkt.
debate
There was a heated debate in parliament.
rozpocznij naukę
debat
Er was een verhit debat in het parlement.
discussion
The discussion lasted two hours.
rozpocznij naukę
discussie
De discussie duurde twee uur.
statement
The president made a statement.
rozpocznij naukę
verklaring
De president deed een verklaring.
speech
She gave an inspiring speech.
rozpocznij naukę
toespraak
Ze hield een inspirerende toespraak.
press conference
The minister held a press conference.
rozpocznij naukę
persconferentie
De minister hield een persconferentie.
interview
The CEO gave an interview.
rozpocznij naukę
interview
De CEO gaf een interview.
survey
A survey showed that most people agree.
rozpocznij naukę
enquête
Een enquête toonde aan dat de meeste mensen het eens zijn.
poll
The latest poll shows a tie.
rozpocznij naukę
peiling
De laatste peiling toont een gelijkspel.
statistics
The statistics are alarming.
rozpocznij naukę
statistieken
De statistieken zijn alarmerend.
percentage
Twenty percent voted in favour.
rozpocznij naukę
percentage
Twintig procent stemde voor.
majority
A majority supported the proposal.
rozpocznij naukę
meerderheid
Een meerderheid steunde het voorstel.
minority
A small minority opposed the idea.
rozpocznij naukę
minderheid
Een kleine minderheid was tegen het idee.
population
The population has grown significantly.
rozpocznij naukę
bevolking
De bevolking is aanzienlijk gegroeid.
community
The local community organised a protest.
rozpocznij naukę
gemeenschap
De lokale gemeenschap organiseerde een protest.
society
We all play a role in society.
rozpocznij naukę
samenleving
We spelen allemaal een rol in de samenleving.
authority
Local authorities responded quickly.
rozpocznij naukę
autoriteit
Lokale autoriteiten reageerden snel.
institution
Trust in public institutions has fallen.
rozpocznij naukę
instelling
Het vertrouwen in publieke instellingen is gedaald.
organisation
The organisation helps refugees.
rozpocznij naukę
organisatie
De organisatie helpt vluchtelingen.
charity
The charity raised one million euros.
rozpocznij naukę
liefdadigheidsinstelling
De liefdadigheidsinstelling haalde een miljoen euro op.
foundation
A new foundation was set up.
rozpocznij naukę
stichting
Een nieuwe stichting werd opgericht.
coalition
The coalition government collapsed.
rozpocznij naukę
coalitie
De coalitieregering viel.
opposition
The opposition demanded answers.
rozpocznij naukę
oppositie
De oppositie eiste antwoorden.
parliament
Parliament voted on the new law.
rozpocznij naukę
parlement
Het parlement stemde over de nieuwe wet.
senate
The senate approved the budget.
rozpocznij naukę
senaat
De senaat keurde de begroting goed.
cabinet
The cabinet met this morning.
rozpocznij naukę
kabinet
Het kabinet vergaderde vanochtend.
minister
The finance minister presented the budget.
rozpocznij naukę
minister
De minister van Financiën presenteerde de begroting.
prime minister
The premier addressed the nation.
rozpocznij naukę
premier
De premier sprak de natie toe.
president
The president met world leaders.
rozpocznij naukę
president
De president ontmoette wereldleiders.
ambassador
The ambassador was recalled.
rozpocznij naukę
ambassadeur
De ambassadeur werd teruggeroepen.
refugee
Thousands of refugees arrived at the border.
rozpocznij naukę
vluchteling
Duizenden vluchtelingen kwamen aan bij de grens.
asylum seeker
The number of asylum seekers increased.
rozpocznij naukę
asielzoeker
Het aantal asielzoekers nam toe.
migration
Migration is a hot topic in politics.
rozpocznij naukę
migratie
Migratie is een heet politiek thema.
border control
Border controls were tightened.
rozpocznij naukę
grenscontrole
De grenscontroles werden aangescherpt.
economy
The economy shrank last quarter.
rozpocznij naukę
economie
De economie kromp afgelopen kwartaal.
recession
The country entered a recession.
rozpocznij naukę
recessie
Het land ging een recessie in.
inflation
Inflation is at a ten year high.
rozpocznij naukę
inflatie
De inflatie is op een tienjarig hoogtepunt.
interest rate
The central bank raised interest rates.
rozpocznij naukę
rentestand
De centrale bank verhoogde de rentestand.
budget
The government presented its annual budget.
rozpocznij naukę
begroting
De overheid presenteerde zijn jaarlijkse begroting.
deficit
The budget deficit grew last year.
rozpocznij naukę
tekort
Het begrotingstekort groeide vorig jaar.
surplus
The trade surplus increased.
rozpocznij naukę
overschot
Het handelsoverschot nam toe.
subsidy
Farmers receive government subsidies.
rozpocznij naukę
subsidie
Boeren ontvangen overheidssubsidies.
pension
The pension age will be raised.
rozpocznij naukę
pensioen
De pensioenleeftijd wordt verhoogd.
minimum wage
The minimum wage was increased.
rozpocznij naukę
minimumloon
Het minimumloon werd verhoogd.
trade
International trade is growing.
rozpocznij naukę
handel
De internationale handel groeit.
export
Dutch exports reached a record high.
rozpocznij naukę
export
De Nederlandse export bereikte een recordhoogte.
import
Imports from Asia have increased.
rozpocznij naukę
import
De invoer uit Azië is toegenomen.
supply chain
Supply chains were disrupted.
rozpocznij naukę
toeleveringsketen
Toeleveringsketens werden verstoord.
shortage
There is a shortage of housing.
rozpocznij naukę
tekort
Er is een tekort aan woningen.
demand
Demand for electric cars is rising.
rozpocznij naukę
vraag
De vraag naar elektrische auto's stijgt.
supply
Supply cannot keep up with demand.
rozpocznij naukę
aanbod
Het aanbod kan de vraag niet bijhouden.
market
The housing market is overheated.
rozpocznij naukę
markt
De woningmarkt is oververhit.
shares
Share prices fell sharply.
rozpocznij naukę
aandelen
De aandelenkoersen daalden scherp.
stock exchange
The stock exchange closed lower.
rozpocznij naukę
beurs
De beurs sloot lager.
bankruptcy
The company filed for bankruptcy.
rozpocznij naukę
faillissement
Het bedrijf vroeg faillissement aan.
merger
The two banks announced a merger.
rozpocznij naukę
fusie
De twee banken kondigden een fusie aan.
takeover
A foreign company made a takeover bid.
rozpocznij naukę
overname
Een buitenlands bedrijf deed een overnamebod.
innovation
Innovation drives economic growth.
rozpocznij naukę
innovatie
Innovatie stimuleert economische groei.
startup
Many startups are based in Amsterdam.
rozpocznij naukę
startup
Veel startups zijn gevestigd in Amsterdam.
artificial intelligence
Artificial intelligence is changing the job market.
rozpocznij naukę
kunstmatige intelligentie
Kunstmatige intelligentie verandert de arbeidsmarkt.
digital
The government is investing in digital services.
rozpocznij naukę
digitaal
De overheid investeert in digitale diensten.
platform
The online platform was hacked.
rozpocznij naukę
platform
Het onlineplatform werd gehackt.
algorithm
The algorithm determines what you see.
rozpocznij naukę
algoritme
Het algoritme bepaalt wat je ziet.
privacy
New laws protect your online privacy.
rozpocznij naukę
privacy
Nieuwe wetten beschermen je online privacy.
cybersecurity
Cybersecurity is a growing concern.
rozpocznij naukę
cyberbeveiliging
Cyberbeveiliging is een groeiende zorg.
hack
The government system was hacked.
rozpocznij naukę
hack
Het overheidssysteem werd gehackt.
misinformation
Misinformation spreads fast online.
rozpocznij naukę
desinformatie
Desinformatie verspreidt zich snel online.
climate change
Climate change affects everyone.
rozpocznij naukę
klimaatverandering
Klimaatverandering heeft invloed op iedereen.
emission
CO2 emissions must be reduced.
rozpocznij naukę
uitstoot
CO2-uitstoot moet worden verminderd.
renewable energy
Investment in renewable energy is growing.
rozpocznij naukę
hernieuwbare energie
De investering in hernieuwbare energie groeit.
solar panel
More households are installing solar panels.
rozpocznij naukę
zonnepaneel
Meer huishoudens installeren zonnepanelen.
wind turbine
Wind turbines generate clean energy.
rozpocznij naukę
windturbine
Windturbines genereren schone energie.
fossil fuel
Fossil fuels must be phased out.
rozpocznij naukę
fossiele brandstof
Fossiele brandstoffen moeten worden afgebouwd.
sustainability
Sustainability is central to the policy.
rozpocznij naukę
duurzaamheid
Duurzaamheid staat centraal in het beleid.
carbon footprint
Reduce your carbon footprint.
rozpocznij naukę
CO2-voetafdruk
Verklein je CO2-voetafdruk.
deforestation
Deforestation is a global threat.
rozpocznij naukę
ontbossing
Ontbossing is een wereldwijde bedreiging.
biodiversity
Biodiversity is declining worldwide.
rozpocznij naukę
biodiversiteit
Biodiversiteit neemt wereldwijd af.
earthquake
An earthquake hit the region.
rozpocznij naukę
aardbeving
Een aardbeving trof de regio.
hurricane
The hurricane caused major damage.
rozpocznij naukę
orkaan
De orkaan veroorzaakte grote schade.
wildfire
Wildfires destroyed thousands of hectares.
rozpocznij naukę
bosbrand
Bosbranden vernielden duizenden hectaren.
sea level
Sea levels are rising due to climate change.
rozpocznij naukę
zeeniveau
Het zeeniveau stijgt door klimaatverandering.
heat wave
The heat wave broke records.
rozpocznij naukę
hittegolf
De hittegolf brak records.
pandemic
The pandemic changed everyday life.
rozpocznij naukę
pandemie
De pandemie veranderde het dagelijks leven.
vaccine
The vaccine was approved quickly.
rozpocznij naukę
vaccin
Het vaccin werd snel goedgekeurd.
outbreak
An outbreak was reported in the south.
rozpocznij naukę
uitbraak
Een uitbraak werd gemeld in het zuiden.
lockdown
The country went into lockdown.
rozpocznij naukę
lockdown
Het land ging in lockdown.
quarantine
Travellers must go into quarantine.
rozpocznij naukę
quarantaine
Reizigers moeten in quarantaine.
variant
A new variant was detected.
rozpocznij naukę
variant
Een nieuwe variant werd gedetecteerd.
healthcare system
The healthcare system is under pressure.
rozpocznij naukę
zorgstelsel
Het zorgstelsel staat onder druk.
public health
Public health is a priority.
rozpocznij naukę
volksgezondheid
Volksgezondheid is een prioriteit.
research
Research shows promising results.
rozpocznij naukę
onderzoek
Onderzoek toont veelbelovende resultaten.
scientist
Scientists discovered a new treatment.
rozpocznij naukę
wetenschapper
Wetenschappers ontdekten een nieuwe behandeling.
expert
The expert gave her opinion.
rozpocznij naukę
deskundige
De deskundige gaf haar mening.
study
A new study was published today.
rozpocznij naukę
studie
Een nieuwe studie werd vandaag gepubliceerd.
trial
The drug is in clinical trials.
rozpocznij naukę
proef
Het medicijn bevindt zich in klinische proeven.
discovery
The discovery was groundbreaking.
rozpocznij naukę
ontdekking
De ontdekking was baanbrekend.
breakthrough
Scientists made a major breakthrough.
rozpocznij naukę
doorbraak
Wetenschappers bereikten een grote doorbraak.
evidence
There is no evidence of wrongdoing.
rozpocznij naukę
bewijs
Er is geen bewijs van wangedrag.
data
The data was collected over ten years.
rozpocznij naukę
gegevens
De gegevens werden over tien jaar verzameld.
analysis
The analysis revealed surprising results.
rozpocznij naukę
analyse
De analyse onthulde verrassende resultaten.
conclusion
What is the conclusion of the report?
rozpocznij naukę
conclusie
Wat is de conclusie van het rapport?
recommendation
The committee made several recommendations.
rozpocznij naukę
aanbeveling
De commissie deed meerdere aanbevelingen.
initiative
A new initiative was launched.
rozpocznij naukę
initiatief
Een nieuw initiatief werd gelanceerd.
programme
The government launched a new programme.
rozpocznij naukę
programma
De overheid lanceerde een nieuw programma.
project
The infrastructure project was delayed.
rozpocznij naukę
project
Het infrastructuurproject liep vertraging op.
strategy
The new strategy focuses on growth.
rozpocznij naukę
strategie
De nieuwe strategie richt zich op groei.
target
The climate target was not met.
rozpocznij naukę
doelstelling
De klimaatdoelstelling werd niet gehaald.
deadline
The deadline for applications is Monday.
rozpocznij naukę
termijn
De termijn voor aanvragen is maandag.
progress
Progress on the negotiations is slow.
rozpocznij naukę
voortgang
De voortgang van de onderhandelingen verloopt traag.
challenge
The biggest challenge is housing.
rozpocznij naukę
uitdaging
De grootste uitdaging is huisvesting.
solution
There is no easy solution.
rozpocznij naukę
oplossing
Er is geen gemakkelijke oplossing.
approach
A new approach is needed.
rozpocznij naukę
aanpak
Een nieuwe aanpak is nodig.
result
The results were disappointing.
rozpocznij naukę
resultaat
De resultaten waren teleurstellend.
impact
The impact of the decision is unclear.
rozpocznij naukę
impact
De impact van de beslissing is onduidelijk.
consequence
What are the consequences?
rozpocznij naukę
gevolg
Wat zijn de gevolgen?
risk
The risks must be assessed.
rozpocznij naukę
risico
De risico's moeten worden beoordeeld.
threat
Cybercrime is a growing threat.
rozpocznij naukę
bedreiging
Cybercriminaliteit is een groeiende bedreiging.
opportunity
There is a great opportunity here.
rozpocznij naukę
kans
Er is hier een geweldige kans.
pressure
There is pressure to act quickly.
rozpocznij naukę
druk
Er is druk om snel te handelen.
tension
Tensions between the countries increased.
rozpocznij naukę
spanning
De spanningen tussen de landen namen toe.
crisis management
Good crisis management is essential.
rozpocznij naukę
crisismanagement
Goed crisismanagement is essentieel.
transparency
Transparency is key in politics.
rozpocznij naukę
transparantie
Transparantie is essentieel in de politiek.
accountability
Politicians must be held accountable.
rozpocznij naukę
verantwoording
Politici moeten verantwoording afleggen.
corruption
Corruption remains a serious problem.
rozpocznij naukę
corruptie
Corruptie blijft een ernstig probleem.
scandal
The scandal led to his resignation.
rozpocznij naukę
schandaal
Het schandaal leidde tot zijn ontslag.
accusation
He denied the accusations.
rozpocznij naukę
beschuldiging
Hij ontkende de beschuldigingen.
investigation
An investigation has been opened.
rozpocznij naukę
onderzoek
Er is een onderzoek geopend.
verdict
The jury delivered its verdict.
rozpocznij naukę
uitspraak
De jury deed zijn uitspraak.
trial
The trial begins next month.
rozpocznij naukę
rechtszaak
De rechtszaak begint volgende maand.
witness
A witness came forward.
rozpocznij naukę
getuige
Een getuige meldde zich.
evidence
The evidence was presented in court.
rozpocznij naukę
bewijsmateriaal
Het bewijsmateriaal werd gepresenteerd in de rechtbank.
suspect
The suspect is in custody.
rozpocznij naukę
verdachte
De verdachte zit vast.
victim
The victims received compensation.
rozpocznij naukę
slachtoffer
De slachtoffers ontvingen compensatie.
attack
There was an attack on the embassy.
rozpocznij naukę
aanval
Er was een aanval op de ambassade.
security
National security is a priority.
rozpocznij naukę
veiligheid
Nationale veiligheid is een prioriteit.
defence
The defence budget was increased.
rozpocznij naukę
defensie
Het defensiebudget werd verhoogd.
army
The army was deployed to the border.
rozpocznij naukę
leger
Het leger werd ingezet aan de grens.
military
Military cooperation was strengthened.
rozpocznij naukę
militair
Militaire samenwerking werd versterkt.
weapon
New weapons were discovered.
rozpocznij naukę
wapen
Nieuwe wapens werden ontdekt.
ceasefire
A ceasefire was agreed.
rozpocznij naukę
staakt-het-vuren
Een staakt-het-vuren werd overeengekomen.
peace talks
Peace talks resumed this week.
rozpocznij naukę
vredesgesprekken
Vredesgesprekken werden deze week hervat.
humanitarian
A humanitarian crisis is unfolding.
rozpocznij naukę
humanitair
Een humanitaire crisis ontvouwt zich.
aid
International aid was sent.
rozpocznij naukę
hulp
Internationale hulp werd gestuurd.
donation
Donations poured in after the disaster.
rozpocznij naukę
donatie
Donaties stroomden binnen na de ramp.
volunteer
Volunteers helped with the relief effort.
rozpocznij naukę
vrijwilliger
Vrijwilligers hielpen bij de hulpverlening.
disaster
The earthquake was a natural disaster.
rozpocznij naukę
ramp
De aardbeving was een natuurramp.
relief
Relief workers arrived on the scene.
rozpocznij naukę
hulpverlening
Hulpverleners arriveerden ter plaatse.
journalist
The journalist investigated the story.
rozpocznij naukę
journalist
De journalist onderzocht het verhaal.
editor
The editor approved the article.
rozpocznij naukę
redacteur
De redacteur keurde het artikel goed.
headline
The headline caught my attention.
rozpocznij naukę
kop
De kop trok mijn aandacht.
article
I read an interesting article.
rozpocznij naukę
artikel
Ik las een interessant artikel.
column
She writes a weekly column.
rozpocznij naukę
column
Ze schrijft een wekelijkse column.
documentary
I watched a documentary about climate.
rozpocznij naukę
documentaire
Ik keek een documentaire over klimaat.
podcast
The podcast has millions of listeners.
rozpocznij naukę
podcast
De podcast heeft miljoenen luisteraars.
episode
The latest episode is very good.
rozpocznij naukę
aflevering
De laatste aflevering is erg goed.
host
The host interviewed the minister.
rozpocznij naukę
presentator
De presentator interviewde de minister.
guest
Tonight's guest is a famous scientist.
rozpocznij naukę
gast
De gast van vanavond is een beroemde wetenschapper.
audience
The audience reacted strongly.
rozpocznij naukę
publiek
Het publiek reageerde sterk.
viewer
Millions of viewers watched the debate.
rozpocznij naukę
kijker
Miljoenen kijkers keken naar het debat.
listener
The programme has many loyal listeners.
rozpocznij naukę
luisteraar
Het programma heeft veel trouwe luisteraars.
source
Always check the source.
rozpocznij naukę
bron
Controleer altijd de bron.
fact
Stick to the facts.
rozpocznij naukę
feit
Houd je aan de feiten.
opinion
Everyone has a right to their opinion.
rozpocznij naukę
standpunt
Iedereen heeft recht op zijn standpunt.
bias
The report was accused of bias.
rozpocznij naukę
vooringenomenheid
Het rapport werd beschuldigd van vooringenomenheid.
censorship
Censorship undermines press freedom.
rozpocznij naukę
censuur
Censuur ondermijnt de persvrijheid.
freedom of speech
Freedom of speech is a fundamental right.
rozpocznij naukę
vrijheid van meningsuiting
Vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht.
fake news
Fake news spread rapidly.
rozpocznij naukę
nepnieuws
Nepnieuws verspreidde zich snel.
social media
Social media influenced the election.
rozpocznij naukę
sociale media
Sociale media beïnvloedden de verkiezing.
trending
The story is trending online.
rozpocznij naukę
trending
Het verhaal is trending online.
viral
The video went viral overnight.
rozpocznij naukę
viraal
De video werd 's nachts viraal.
hashtag
The hashtag was used millions of times.
rozpocznij naukę
hashtag
De hashtag werd miljoenen keren gebruikt.
influencer
The influencer promoted the campaign.
rozpocznij naukę
influencer
De influencer promootte de campagne.
campaign
The election campaign has started.
rozpocznij naukę
campagne
De verkiezingscampagne is begonnen.
slogan
The party used a powerful slogan.
rozpocznij naukę
slogan
De partij gebruikte een krachtige slogan.
rally
Thousands attended the political rally.
rozpocznij naukę
bijeenkomst
Duizenden wisten de politieke bijeenkomst.
protest
The protest turned violent.
rozpocznij naukę
protest
Het protest werd gewelddadig.
demonstration
A peaceful demonstration was held.
rozpocznij naukę
demonstratie
Er werd een vreedzame demonstratie gehouden.
strike
Workers went on strike.
rozpocznij naukę
staking
Werknemers gingen in staking.
union
The union demanded higher wages.
rozpocznij naukę
vakbond
De vakbond eiste hogere lonen.
rights
Human rights must be protected.
rozpocznij naukę
rechten
Mensenrechten moeten worden beschermd.
movement
The environmental movement is growing.
rozpocznij naukę
beweging
De milieubeweging groeit.
awareness
Awareness of the issue is growing.
rozpocznij naukę
bewustzijn
Het bewustzijn over het probleem groeit.
petition
Over a million signed the petition.
rozpocznij naukę
petitie
Meer dan een miljoen mensen ondertekenden de petitie.
referendum
A referendum was called.
rozpocznij naukę
referendum
Er werd een referendum uitgeschreven.
result
The election results were announced.
rozpocznij naukę
uitslag
De verkiezingsuitslag werd bekendgemaakt.
turnout
Voter turnout was very high.
rozpocznij naukę
opkomst
De kiesopkomst was erg hoog.
candidate
Three candidates are running.
rozpocznij naukę
kandidaat
Drie kandidaten dingen mee.
coalition
Forming a coalition took months.
rozpocznij naukę
coalitie
Het vormen van een coalitie duurde maanden.
compromise
A compromise was reached.
rozpocznij naukę
compromis
Er werd een compromis bereikt.
deadline
The deadline passed without a deal.
rozpocznij naukę
deadline
De deadline verstreek zonder akkoord.
summit
World leaders met at the summit.
rozpocznij naukę
top
Wereldleiders kwamen bijeen op de top.
headquarters
The headquarters is in Brussels.
rozpocznij naukę
hoofdkantoor
Het hoofdkantoor is in Brussel.
spokesperson
The spokesperson denied the rumour.
rozpocznij naukę
woordvoerder
De woordvoerder ontkende het gerucht.
rumour
Rumours circulated about his resignation.
rozpocznij naukę
gerucht
Er gingen geruchten over zijn aftreden.
leak
A document was leaked to the press.
rozpocznij naukę
lek
Een document werd gelekt naar de pers.
whistleblower
The whistleblower revealed wrongdoing.
rozpocznij naukę
klokkenluider
De klokkenluider onthulde wangedrag.
transparency
The organisation lacks transparency.
rozpocznij naukę
transparantie
De organisatie mist transparantie.
protest movement
The protest movement gained momentum.
rozpocznij naukę
protestbeweging
De protestbeweging won aan kracht.
civil rights
Civil rights were violated.
rozpocznij naukę
burgerrechten
Burgerrechten werden geschonden.
democracy
Democracy is under pressure.
rozpocznij naukę
democratie
Democratie staat onder druk.
dictatorship
The dictatorship suppressed dissent.
rozpocznij naukę
dictatuur
De dictatuur onderdrukte afwijkende meningen.
human rights
Human rights violations were reported.
rozpocznij naukę
mensenrechten
Mensenrechtenschendingen werden gemeld.
gender equality
Gender equality remains a challenge.
rozpocznij naukę
gendergelijkheid
Gendergelijkheid blijft een uitdaging.
racial equality
Racial equality is a key issue.
rozpocznij naukę
rassengelijkheid
Rassengelijkheid is een belangrijk thema.
discrimination
Discrimination in the workplace is illegal.
rozpocznij naukę
discriminatie
Discriminatie op de werkvloer is illegaal.
harassment
Workplace harassment must be addressed.
rozpocznij naukę
intimidatie
Intimidatie op de werkvloer moet worden aangepakt.
inclusion
Inclusion is a company priority.
rozpocznij naukę
inclusie
Inclusie is een bedrijfsprioriteit.
welfare
Social welfare is being cut.
rozpocznij naukę
welzijn
De sociale bijstand wordt bezuinigd.
poverty
Child poverty is rising.
rozpocznij naukę
armoede
Kinderarmoede neemt toe.
homelessness
Homelessness increased in cities.
rozpocznij naukę
dakloosheid
Dakloosheid nam toe in steden.
housing crisis
The housing crisis affects young people most.
rozpocznij naukę
woningcrisis
De woningcrisis treft jongeren het meest.
affordability
The affordability of housing is a concern.
rozpocznij naukę
betaalbaarheid
De betaalbaarheid van woningen is een zorg.
infrastructure
Infrastructure investment is needed.
rozpocznij naukę
infrastructuur
Investering in infrastructuur is nodig.
transport
Public transport needs improvement.
rozpocznij naukę
vervoer
Het openbaar vervoer heeft verbetering nodig.
congestion
Traffic congestion is a daily problem.
rozpocznij naukę
filevorming
Filevorming is een dagelijks probleem.
construction
Construction costs have risen sharply.
rozpocznij naukę
bouw
De bouwkosten zijn scherp gestegen.
urban
Urban areas face unique challenges.
rozpocznij naukę
stedelijk
Stedelijke gebieden staan voor unieke uitdagingen.
rural
Rural communities are shrinking.
rozpocznij naukę
landelijk
Plattelandsgemeenschappen krimpen.
region
The northern region was hardest hit.
rozpocznij naukę
regio
De noordelijke regio werd het hardst getroffen.
municipality
The municipality approved the plan.
rozpocznij naukę
gemeente
De gemeente keurde het plan goed.
council
The city council voted on the issue.
rozpocznij naukę
raad
De gemeenteraad stemde over het onderwerp.
regulation
New regulations came into force.
rozpocznij naukę
regeling
Nieuwe regelingen traden in werking.
compliance
Companies must ensure compliance.
rozpocznij naukę
naleving
Bedrijven moeten naleving waarborgen.
penalty
Heavy penalties were imposed.
rozpocznij naukę
boete
Zware boetes werden opgelegd.
compensation
Victims received financial compensation.
rozpocznij naukę
compensatie
Slachtoffers ontvingen financiële compensatie.
legal
The matter is under legal review.
rozpocznij naukę
juridisch
De zaak is onder juridische toetsing.
illegal
Illegal waste dumping was discovered.
rozpocznij naukę
illegaal
Illegale afvaldumping werd ontdekt.
court ruling
The court ruling was appealed.
rozpocznij naukę
rechterlijke uitspraak
De rechterlijke uitspraak werd aangevochten.
appeal
The company filed an appeal.
rozpocznij naukę
beroep
Het bedrijf diende een beroep in.
settlement
A settlement was reached out of court.
rozpocznij naukę
schikking
Een schikking werd buiten de rechtbank bereikt.
agreement
The agreement was signed by both parties.
rozpocznij naukę
overeenkomst
De overeenkomst werd door beide partijen ondertekend.
contract
The contract was cancelled.
rozpocznij naukę
contract
Het contract werd geannuleerd.
deal
A major deal was announced.
rozpocznij naukę
deal
Een grote deal werd aangekondigd.
partnership
A new partnership was formed.
rozpocznij naukę
partnerschap
Een nieuw partnerschap werd gevormd.
cooperation
International cooperation is vital.
rozpocznij naukę
samenwerking
Internationale samenwerking is van vitaal belang.
alliance
The alliance was strengthened.
rozpocznij naukę
alliantie
De alliantie werd versterkt.
network
They built a strong network.
rozpocznij naukę
netwerk
Ze bouwden een sterk netwerk.
sector
The public sector faces cuts.
rozpocznij naukę
sector
De publieke sector staat voor bezuinigingen.
industry
The car industry is changing.
rozpocznij naukę
industrie
De auto-industrie verandert.
manufacturer
The manufacturer recalled the product.
rozpocznij naukę
fabrikant
De fabrikant riep het product terug.
consumer
Consumer confidence is low.
rozpocznij naukę
consument
Het consumentenvertrouwen is laag.
competitor
The competitor launched a cheaper product.
rozpocznij naukę
concurrent
De concurrent lanceerde een goedkoper product.
shareholder
Shareholders approved the deal.
rozpocznij naukę
aandeelhouder
Aandeelhouders keurden de deal goed.
profit
Profits fell sharply last year.
rozpocznij naukę
winst
De winst daalde sterk vorig jaar.
revenue
Revenue increased by fifteen percent.
rozpocznij naukę
omzet
De omzet steeg met vijftien procent.
tax
Corporation tax will be increased.
rozpocznij naukę
belasting
De vennootschapsbelasting wordt verhoogd.
debt
National debt is at a record level.
rozpocznij naukę
schuld
De nationale schuld staat op een recordniveau.
loan
The country requested an emergency loan.
rozpocznij naukę
lening
Het land vroeg om een noodlening.
grant
A grant was awarded to the project.
rozpocznij naukę
subsidie
Een subsidie werd toegekend aan het project.
funding
More funding is needed for research.
rozpocznij naukę
financiering
Er is meer financiering nodig voor onderzoek.
donation
The charity received large donations.
rozpocznij naukę
donatie
De instelling ontving grote donaties.
budget cut
Budget cuts affect public services.
rozpocznij naukę
bezuiniging
Bezuinigingen hebben invloed op publieke diensten.
austerity
Austerity measures were introduced.
rozpocznij naukę
bezuinigingsbeleid
Bezuinigingsmaatregelen werden ingevoerd.
welfare state
The welfare state is being reformed.
rozpocznij naukę
verzorgingsstaat
De verzorgingsstaat wordt hervormd.
pension fund
The pension fund has a deficit.
rozpocznij naukę
pensioenfonds
Het pensioenfonds heeft een tekort.
real estate
Real estate prices are at a record high.
rozpocznij naukę
vastgoed
Vastgoedprijzen staan op een recordhoogte.
mortgage
Mortgage rates have increased.
rozpocznij naukę
hypotheek
De hypotheekrentes zijn gestegen.
rent
Rents in cities are unaffordable.
rozpocznij naukę
huur
Huren in steden zijn onbetaalbaar.
eviction
Thousands face eviction.
rozpocznij naukę
uitzetting
Duizenden staan voor uitzetting.
energy bill
Energy bills doubled last winter.
rozpocznij naukę
energierekening
De energierekening verdubbelde afgelopen winter.
price cap
A price cap was introduced.
rozpocznij naukę
prijsplafond
Een prijsplafond werd ingesteld.
supply
Gas supply was disrupted.
rozpocznij naukę
levering
De gaslevering werd verstoord.
shortage
There is a shortage of workers.
rozpocznij naukę
schaarste
Er is een tekort aan werknemers.
queue
People queue outside the embassy.
rozpocznij naukę
rij
Mensen staan in de rij voor de ambassade.
waiting list
The waiting list for housing is long.
rozpocznij naukę
wachtlijst
De wachtlijst voor woningen is lang.
capacity
The hospital is at full capacity.
rozpocznij naukę
capaciteit
Het ziekenhuis is op volle capaciteit.
overloaded
The system is overloaded.
rozpocznij naukę
overbelast
Het systeem is overbelast.
shortage
There is a shortage of doctors.
rozpocznij naukę
tekort
Er is een tekort aan artsen.
staff
Staff shortages are critical.
rozpocznij naukę
personeel
Personeelstekorten zijn nijpend.
turnover
Staff turnover is very high.
rozpocznij naukę
verloop
Het personeelsverloop is erg hoog.
remote work
Remote work became the new normal.
rozpocznij naukę
thuiswerken
Thuiswerken werd de nieuwe norm.
hybrid
Hybrid working is now common.
rozpocznij naukę
hybride
Hybride werken is nu gewoon.
automation
Automation is replacing jobs.
rozpocznij naukę
automatisering
Automatisering vervangt banen.
retraining
Workers need retraining.
rozpocznij naukę
omscholing
Werknemers hebben omscholing nodig.
skills gap
The skills gap is widening.
rozpocznij naukę
vaardigheidstekort
Het vaardigheidstekort neemt toe.
labour market
The labour market is very tight.
rozpocznij naukę
arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt is erg krap.
unemployment
Youth unemployment remains high.
rozpocznij naukę
werkloosheid
Jeugdwerkloosheid blijft hoog.
wage
Wages have not kept up with inflation.
rozpocznij naukę
loon
De lonen zijn de inflatie niet bijgehouden.
strike
A strike paralysed the railway.
rozpocznij naukę
staking
Een staking legde het spoor lam.
negotiation
Negotiations are still ongoing.
rozpocznij naukę
onderhandeling
De onderhandelingen zijn nog gaande.
contract
She signed a permanent contract.
rozpocznij naukę
arbeidscontract
Ze tekende een vast contract.
freelance
More people work freelance.
rozpocznij naukę
freelance
Meer mensen werken als freelancer.
gig economy
The gig economy is expanding.
rozpocznij naukę
platformeconomie
De platformeconomie groeit.
inequality
Income inequality is growing.
rozpocznij naukę
ongelijkheid
De inkomensongelijkheid groeit.
gap
The wealth gap is widening.
rozpocznij naukę
kloof
De vermogenskloof wordt groter.
middle class
The middle class is shrinking.
rozpocznij naukę
middenklasse
De middenklasse krimpt.
tax evasion
Tax evasion costs billions.
rozpocznij naukę
belastingontduiking
Belastingontduiking kost miljarden.
offshore
The money was held offshore.
rozpocznij naukę
offshore
Het geld werd offshore bewaard.
transparency
Financial transparency is essential.
rozpocznij naukę
transparantie
Financiële transparantie is essentieel.
audit
An audit revealed irregularities.
rozpocznij naukę
audit
Een audit onthulde onregelmatigheden.
fine
The company was fined heavily.
rozpocznij naukę
boete
Het bedrijf werd zwaar beboet.
regulation
Stricter regulation is needed.
rozpocznij naukę
regelgeving
Strengere regelgeving is nodig.
watchdog
The watchdog launched an investigation.
rozpocznij naukę
toezichthouder
De toezichthouder startte een onderzoek.
accountability
Corporate accountability must improve.
rozpocznij naukę
aansprakelijkheid
Zakelijke aansprakelijkheid moet verbeteren.
lobby
Lobbyists influenced the decision.
rozpocznij naukę
lobby
Lobbyisten beïnvloedden de beslissing.
interest group
Several interest groups opposed the plan.
rozpocznij naukę
belangengroep
Meerdere belangengroepen waren tegen het plan.
public opinion
Public opinion has shifted.
rozpocznij naukę
publieke opinie
De publieke opinie is verschoven.
trust
Trust in politics is declining.
rozpocznij naukę
vertrouwen
Het vertrouwen in de politiek neemt af.
approval rating
The premier's approval rating fell.
rozpocznij naukę
populariteitspeiling
De populariteitspeiling van de premier daalde.
survey
A survey found growing dissatisfaction.
rozpocznij naukę
onderzoek
Een onderzoek vond groeiende ontevredenheid.
headline
The headline made international news.
rozpocznij naukę
nieuws
Het nieuws haalde internationale koppen.
breaking news
Breaking news interrupted the broadcast.
rozpocznij naukę
breaking news
Breaking news onderbrak de uitzending.
live
The event was broadcast live.
rozpocznij naukę
live
Het evenement werd live uitgezonden.
update
Follow us for live updates.
rozpocznij naukę
update
Volg ons voor live updates.
coverage
Media coverage was extensive.
rozpocznij naukę
berichtgeving
De mediaberichtgeving was uitgebreid.
exclusive
An exclusive interview was published.
rozpocznij naukę
exclusief
Een exclusief interview werd gepubliceerd.
anonymous
The source remained anonymous.
rozpocznij naukę
anoniem
De bron bleef anoniem.
off the record
The minister spoke off the record.
rozpocznij naukę
off the record
De minister sprak off the record.
quote
The quote was taken out of context.
rozpocznij naukę
citaat
Het citaat werd uit zijn context getrokken.
context
You need to understand the context.
rozpocznij naukę
context
Je moet de context begrijpen.
background
What is the background of the story?
rozpocznij naukę
achtergrond
Wat is de achtergrond van het verhaal?
timeline
Here is the timeline of events.
rozpocznij naukę
tijdlijn
Dit is de tijdlijn van de gebeurtenissen.
chronological
The events are listed chronologically.
rozpocznij naukę
chronologisch
De gebeurtenissen worden chronologisch vermeld.
overview
Here is an overview of the situation.
rozpocznij naukę
overzicht
Hier is een overzicht van de situatie.
summary
A short summary was provided.
rozpocznij naukę
samenvatting
Een korte samenvatting werd gegeven.
detail
The details are still unclear.
rozpocznij naukę
detail
De details zijn nog onduidelijk.
development
New developments emerged today.
rozpocznij naukę
ontwikkeling
Er kwamen vandaag nieuwe ontwikkelingen.
update
The situation is constantly updating.
rozpocznij naukę
bijwerking
De situatie wordt voortdurend bijgewerkt.
follow up
A follow-up report will be published.
rozpocznij naukę
vervolgbericht
Een vervolgrapport zal worden gepubliceerd.
reaction
The reaction was overwhelmingly positive.
rozpocznij naukę
reactie
De reactie was overweldigend positief.
response
The government's response was criticised.
rozpocznij naukę
antwoord
De reactie van de overheid werd bekritiseerd.
criticism
The decision faced harsh criticism.
rozpocznij naukę
kritiek
De beslissing kreeg zware kritiek.
praise
The initiative received praise.
rozpocznij naukę
lof
Het initiatief ontving lof.
controversy
The decision caused controversy.
rozpocznij naukę
controverse
De beslissing veroorzaakte controverse.
debate
A public debate was organised.
rozpocznij naukę
debat
Er werd een openbaar debat georganiseerd.
discussion
The discussion is still ongoing.
rozpocznij naukę
gesprek
De discussie is nog gaande.
agreement
Most experts agree on this point.
rozpocznij naukę
eens zijn
De meeste experts zijn het hierover eens.
disagreement
There is strong disagreement on the issue.
rozpocznij naukę
onenigheid
Er is grote onenigheid over het onderwerp.
compromise
A compromise must be found.
rozpocznij naukę
schikking
Er moet een compromis worden gevonden.
stalemate
Negotiations reached a stalemate.
rozpocznij naukę
patstelling
Onderhandelingen bereikten een patstelling.
breakthrough
A diplomatic breakthrough was achieved.
rozpocznij naukę
doorbraak
Een diplomatieke doorbraak werd bereikt.
progress
Progress was made at the summit.
rozpocznij naukę
vooruitgang
Er werd vooruitgang geboekt op de top.
setback
The project suffered a major setback.
rozpocznij naukę
tegenslag
Het project leed een grote tegenslag.
delay
The decision was delayed by months.
rozpocznij naukę
vertraging
De beslissing werd maanden vertraagd.
postpone
The summit was postponed.
rozpocznij naukę
uitstellen
De top werd uitgesteld.
cancel
The visit was cancelled at short notice.
rozpocznij naukę
annuleren
Het bezoek werd op korte termijn geannuleerd.
resume
Talks were resumed after a break.
rozpocznij naukę
hervatten
De gesprekken werden hervat na een pauze.
conclude
The negotiations concluded successfully.
rozpocznij naukę
afronden
De onderhandelingen werden succesvol afgerond.
sign
The agreement was signed in Brussels.
rozpocznij naukę
tekenen
De overeenkomst werd ondertekend in Brussel.
ratify
The treaty was ratified by all members.
rozpocznij naukę
ratificeren
Het verdrag werd door alle leden geratificeerd.
implement
The new rules will be implemented in January.
rozpocznij naukę
uitvoeren
De nieuwe regels worden in januari ingevoerd.
enforce
The law must be enforced strictly.
rozpocznij naukę
handhaven
De wet moet strikt worden gehandhaafd.
monitor
Progress will be monitored closely.
rozpocznij naukę
monitoren
De voortgang zal nauwlettend worden gevolgd.
evaluate
The results will be evaluated next year.
rozpocznij naukę
evalueren
De resultaten worden volgend jaar geëvalueerd.
revise
The plan was revised after criticism.
rozpocznij naukę
herzien
Het plan werd herzien na kritiek.
adapt
The strategy was adapted to new circumstances.
rozpocznij naukę
aanpassen
De strategie werd aangepast aan nieuwe omstandigheden.
extend
The deadline was extended by one week.
rozpocznij naukę
verlengen
De deadline werd met één week verlengd.
expire
The agreement expires in December.
rozpocznij naukę
verlopen
De overeenkomst verloopt in december.
renew
The contract was renewed for three years.
rozpocznij naukę
vernieuwen
Het contract werd verlengd voor drie jaar.
strengthen
The partnership was strengthened.
rozpocznij naukę
versterken
Het partnerschap werd versterkt.
weaken
The economy has weakened.
rozpocznij naukę
verzwakken
De economie is verzwakt.
stabilise
The situation began to stabilise.
rozpocznij naukę
stabiliseren
De situatie begon te stabiliseren.
deteriorate
The situation deteriorated overnight.
rozpocznij naukę
verslechteren
De situatie verslechterde 's nachts.
improve
Relations between the countries improved.
rozpocznij naukę
verbeteren
De betrekkingen tussen de landen verbeterden.
worsen
The humanitarian situation has worsened.
rozpocznij naukę
verslechteren
De humanitaire situatie is verslechterd.
escalate
The conflict is escalating.
rozpocznij naukę
escaleren
Het conflict escaleert.
de-escalate
Both sides agreed to de-escalate.
rozpocznij naukę
de-escaleren
Beide partijen kwamen overeen te de-escaleren.
resolve
The dispute was resolved peacefully.
rozpocznij naukę
oplossen
Het geschil werd vreedzaam opgelost.
address
The government must address the housing crisis.
rozpocznij naukę
aanpakken
De overheid moet de woningcrisis aanpakken.
tackle
We need to tackle inequality.
rozpocznij naukę
aanpakken
We moeten ongelijkheid aanpakken.
face
The country faces serious challenges.
rozpocznij naukę
geconfronteerd worden met
Het land staat voor ernstige uitdagingen.
overcome
They overcame major obstacles.
rozpocznij naukę
overwinnen
Ze overwonnen grote obstakels.
acknowledge
The government acknowledged its mistakes.
rozpocznij naukę
erkennen
De overheid erkende haar fouten.
admit
He admitted the policy had failed.
rozpocznij naukę
toegeven
Hij gaf toe dat het beleid was mislukt.
insist
The union insists on higher wages.
rozpocznij naukę
aandringen
De vakbond dringt aan op hogere lonen.
claim
The company claims it broke no rules.
rozpocznij naukę
beweren
Het bedrijf beweert geen regels te hebben overtreden.
argue
Experts argue that more funding is needed.
rozpocznij naukę
betogen
Experts betogen dat meer financiering nodig is.
emphasise
The report emphasises long-term risks.
rozpocznij naukę
benadrukken
Het rapport benadrukt langetermijnrisico's.
highlight
The documentary highlighted poverty.
rozpocznij naukę
belichten
De documentaire belichte armoede.
underline
The crisis underlines the need for reform.
rozpocznij naukę
onderstrepen
De crisis onderstreept de behoefte aan hervorming.
illustrate
The case illustrates a wider problem.
rozpocznij naukę
illustreren
De zaak illustreert een breder probleem.
demonstrate
The results demonstrate clear progress.
rozpocznij naukę
aantonen
De resultaten tonen duidelijke vooruitgang aan.
indicate
Polls indicate a shift in opinion.
rozpocznij naukę
aangeven
Peilingen geven een verschuiving in mening aan.
suggest
Evidence suggests a link.
rozpocznij naukę
suggereren
Bewijs suggereert een verband.
reveal
The files revealed the truth.
rozpocznij naukę
onthullen
De bestanden onthulden de waarheid.
expose
The journalist exposed the scandal.
rozpocznij naukę
blootleggen
De journalist legde het schandaal bloot.
uncover
Investigators uncovered new evidence.
rozpocznij naukę
ontdekken
Onderzoekers ontdekten nieuw bewijs.
challenge
The decision was challenged in court.
rozpocznij naukę
uitdagen
De beslissing werd aangevochten in de rechtbank.
question
Critics questioned the data.
rozpocznij naukę
in twijfel trekken
Critici trokken de gegevens in twijfel.
dispute
The findings were disputed.
rozpocznij naukę
betwisten
De bevindingen werden betwist.
doubt
Experts doubt the official figures.
rozpocznij naukę
betwijfelen
Experts betwijfelen de officiële cijfers.
contradict
The report contradicts earlier claims.
rozpocznij naukę
tegenspreken
Het rapport spreekt eerdere beweringen tegen.
confirm
The tests confirmed the diagnosis.
rozpocznij naukę
bevestigen
De tests bevestigden de diagnose.
prove
The investigation proved wrongdoing.
rozpocznij naukę
bewijzen
Het onderzoek bewees wangedrag.
disprove
The theory was disproved.
rozpocznij naukę
weerleggen
De theorie werd weerlegd.
challenge
Several scientists challenged the results.
rozpocznij naukę
betwisten
Meerdere wetenschappers betwistten de resultaten.
verify
Please verify the information before publishing.
rozpocznij naukę
verifiëren
Verifieer de informatie alstublieft voor publicatie.
fact-check
Journalists must fact-check claims.
rozpocznij naukę
controleren op feiten
Journalisten moeten beweringen controleren op feiten.
mislead
The advertisement misled consumers.
rozpocznij naukę
misleiden
De advertentie misleidde consumenten.
manipulate
Data was manipulated to hide the truth.
rozpocznij naukę
manipuleren
Gegevens werden gemanipuleerd om de waarheid te verbergen.
distort
The facts were distorted in the report.
rozpocznij naukę
verdraaien
De feiten werden verdraaid in het rapport.
bias
The study was biased.
rozpocznij naukę
beïnvloeden
De studie was bevooroordeeld.
independent
An independent inquiry was launched.
rozpocznij naukę
onafhankelijk
Een onafhankelijk onderzoek werd gestart.
neutral
The journalist tried to remain neutral.
rozpocznij naukę
neutraal
De journalist probeerde neutraal te blijven.
objective
Objective reporting is essential.
rozpocznij naukę
objectief
Objectieve berichtgeving is essentieel.
reliable
Is the source reliable?
rozpocznij naukę
betrouwbaar
Is de bron betrouwbaar?
accurate
The data must be accurate.
rozpocznij naukę
nauwkeurig
De gegevens moeten nauwkeurig zijn.
transparent
The process must be transparent.
rozpocznij naukę
transparant
Het proces moet transparant zijn.
consistent
The policy must be consistent.
rozpocznij naukę
consistent
Het beleid moet consistent zijn.
effective
The measures proved effective.
rozpocznij naukę
effectief
De maatregelen bleken effectief.
efficient
A more efficient system is needed.
rozpocznij naukę
efficiënt
Een efficiënter systeem is nodig.
sustainable
The model must be financially sustainable.
rozpocznij naukę
duurzaam
Het model moet financieel duurzaam zijn.
affordable
Housing must be made more affordable.
rozpocznij naukę
betaalbaar
Huisvesting moet betaalbaarder worden gemaakt.
accessible
Healthcare must be accessible to all.
rozpocznij naukę
toegankelijk
Gezondheidszorg moet voor iedereen toegankelijk zijn.
fair
The system must be fair.
rozpocznij naukę
eerlijk
Het systeem moet eerlijk zijn.
equal
All citizens must be treated equally.
rozpocznij naukę
gelijk
Alle burgers moeten gelijk worden behandeld.
urgent
Action is urgently needed.
rozpocznij naukę
dringend
Actie is dringend nodig.
critical
The situation is critical.
rozpocznij naukę
kritiek
De situatie is kritiek.
severe
The consequences could be severe.
rozpocznij naukę
ernstig
De gevolgen kunnen ernstig zijn.
significant
A significant increase was recorded.
rozpocznij naukę
significant
Een significante toename werd geregistreerd.
substantial
Substantial investment is required.
rozpocznij naukę
aanzienlijk
Aanzienlijke investering is vereist.
considerable
Considerable progress has been made.
rozpocznij naukę
aanzienlijk
Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt.
dramatic
There was a dramatic increase.
rozpocznij naukę
dramatisch
Er was een dramatische toename.
sharp
A sharp drop in prices was observed.
rozpocznij naukę
scherp
Een scherpe daling van prijzen werd waargenomen.
gradual
There has been a gradual improvement.
rozpocznij naukę
geleidelijk
Er is een geleidelijke verbetering.
steady
Steady growth is expected.
rozpocznij naukę
gestaag
Gestage groei wordt verwacht.
rapid
Rapid change is needed.
rozpocznij naukę
snel
Snelle verandering is nodig.
slow
The recovery has been slow.
rozpocznij naukę
traag
Het herstel is traag geweest.
unexpected
The result was unexpected.
rozpocznij naukę
onverwacht
Het resultaat was onverwacht.
surprising
The findings were surprising.
rozpocznij naukę
verrassend
De bevindingen waren verrassend.
controversial
The decision was highly controversial.
rozpocznij naukę
controversieel
De beslissing was zeer controversieel.
sensitive
This is a sensitive topic.
rozpocznij naukę
gevoelig
Dit is een gevoelig onderwerp.
complex
The situation is complex.
rozpocznij naukę
complex
De situatie is complex.
unclear
The cause is still unclear.
rozpocznij naukę
onduidelijk
De oorzaak is nog onduidelijk.
uncertain
The future remains uncertain.
rozpocznij naukę
onzeker
De toekomst blijft onzeker.
inevitable
Change is inevitable.
rozpocznij naukę
onvermijdelijk
Verandering is onvermijdelijk.
necessary
Reform is necessary.
rozpocznij naukę
noodzakelijk
Hervorming is noodzakelijk.
possible
A solution is still possible.
rozpocznij naukę
mogelijk
Een oplossing is nog steeds mogelijk.
impossible
Agreement seemed impossible.
rozpocznij naukę
onmogelijk
Een akkoord leek onmogelijk.
likely
Further increases are likely.
rozpocznij naukę
waarschijnlijk
Verdere verhogingen zijn waarschijnlijk.
unlikely
A quick recovery is unlikely.
rozpocznij naukę
onwaarschijnlijk
Een snel herstel is onwaarschijnlijk.
according to
According to the minister the plan will work.
rozpocznij naukę
volgens
Volgens de minister zal het plan werken.
despite
Despite the risks the project continues.
rozpocznij naukę
ondanks
Ondanks de risico's gaat het project door.
due to
Due to rising costs prices increased.
rozpocznij naukę
door
Door stijgende kosten stegen de prijzen.
as a result of
As a result of the crisis unemployment rose.
rozpocznij naukę
als gevolg van
Als gevolg van de crisis steeg de werkloosheid.
in response to
In response to the protests the law was changed.
rozpocznij naukę
als reactie op
Als reactie op de protesten werd de wet gewijzigd.
in spite of
In spite of opposition the bill passed.
rozpocznij naukę
ondanks
Ondanks de oppositie werd het wetsvoorstel aangenomen.
following
Following the scandal he resigned.
rozpocznij naukę
na aanleiding van
Na aanleiding van het schandaal trad hij af.
ahead of
Ahead of the election new polls were released.
rozpocznij naukę
voorafgaand aan
Voorafgaand aan de verkiezing werden nieuwe peilingen gepubliceerd.
amid
Amid rising tensions talks broke down.
rozpocznij naukę
te midden van
Te midden van toenemende spanningen braken de gesprekken af.
meanwhile
Meanwhile the investigation is ongoing.
rozpocznij naukę
ondertussen
Ondertussen loopt het onderzoek door.
furthermore
Furthermore the costs continue to rise.
rozpocznij naukę
bovendien
Bovendien blijven de kosten stijgen.
however
However the results are still positive.
rozpocznij naukę
echter
De resultaten zijn echter nog positief.
therefore
Therefore immediate action is needed.
rozpocznij naukę
daarom
Daarom is onmiddellijke actie nodig.
consequently
Consequently thousands lost their jobs.
rozpocznij naukę
bijgevolg
Bijgevolg verloren duizenden hun baan.
nevertheless
Nevertheless the summit was productive.
rozpocznij naukę
desondanks
Desondanks was de top productief.
on the contrary
On the contrary the data shows improvement.
rozpocznij naukę
integendeel
Integendeel de gegevens tonen verbetering.
in contrast
In contrast the southern regions prospered.
rozpocznij naukę
in tegenstelling
In tegenstelling daartoe floreerden de zuidelijke regio's.
similarly
Similarly other countries face this problem.
rozpocznij naukę
op dezelfde manier
Op dezelfde manier worden andere landen met dit probleem geconfronteerd.
in addition
In addition new jobs were created.
rozpocznij naukę
bovendien
Bovendien werden nieuwe banen gecreëerd.
above all
Above all trust must be restored.
rozpocznij naukę
bovenal
Bovenal moet vertrouwen worden hersteld.
in particular
Young people in particular are affected.
rozpocznij naukę
in het bijzonder
Jongeren worden in het bijzonder getroffen.
especially
Especially vulnerable groups need support.
rozpocznij naukę
met name
Met name kwetsbare groepen hebben steun nodig.
overall
Overall the results are encouraging.
rozpocznij naukę
over het geheel genomen
Over het geheel genomen zijn de resultaten bemoedigend.
broadly speaking
Broadly speaking the plan is sound.
rozpocznij naukę
in grote lijnen
In grote lijnen is het plan solide.
in general
In general support for the policy is strong.
rozpocznij naukę
in het algemeen
In het algemeen is de steun voor het beleid sterk.
to a large extent
This is to a large extent a political issue.
rozpocznij naukę
grotendeels
Dit is grotendeels een politieke kwestie.
partly
The failure is partly due to poor planning.
rozpocznij naukę
gedeeltelijk
Het falen is gedeeltelijk te wijten aan slechte planning.
entirely
The project was entirely funded by the state.
rozpocznij naukę
volledig
Het project werd volledig gefinancierd door de staat.
largely
The plan was largely successful.
rozpocznij naukę
grotendeels
Het plan was grotendeels succesvol.
mainly
The problem is mainly financial.
rozpocznij naukę
voornamelijk
Het probleem is voornamelijk financieel.
primarily
The policy aims primarily at young families.
rozpocznij naukę
primair
Het beleid richt zich primair op jonge gezinnen.
essentially
This is essentially a human rights issue.
rozpocznij naukę
in wezen
Dit is in wezen een mensenrechtenkwestie.
technically
Technically the law allows this.
rozpocznij naukę
technisch gezien
Technisch gezien staat de wet dit toe.
officially
Officially the talks have not started.
rozpocznij naukę
officieel
Officieel zijn de gesprekken nog niet begonnen.
reportedly
Reportedly a deal has been reached.
rozpocznij naukę
naar verluidt
Naar verluidt is er een deal bereikt.
allegedly
He allegedly accepted bribes.
rozpocznij naukę
naar bewering
Hij zou naar bewering smeergeld hebben aangenomen.
apparently
Apparently the decision was made last week.
rozpocznij naukę
klaarblijkelijk
Klaarblijkelijk werd de beslissing vorige week genomen.
arguably
This is arguably the biggest crisis in decades.
rozpocznij naukę
zou kunnen worden betoogd
Dit zou kunnen worden betoogd de grootste crisis in decennia te zijn.
clearly
The situation is clearly worsening.
rozpocznij naukę
duidelijk
De situatie verslechtert duidelijk.
obviously
Obviously more research is needed.
rozpocznij naukę
uiteraard
Uiteraard is meer onderzoek nodig.
undoubtedly
This is undoubtedly a historic moment.
rozpocznij naukę
ongetwijfeld
Dit is ongetwijfeld een historisch moment.
certainly
This will certainly have consequences.
rozpocznij naukę
zeker
Dit zal zeker gevolgen hebben.
possibly
The situation could possibly improve.
rozpocznij naukę
mogelijk
De situatie zou mogelijk kunnen verbeteren.
potentially
This is a potentially dangerous development.
rozpocznij naukę
potentieel
Dit is een potentieel gevaarlijke ontwikkeling.
ultimately
Ultimately the decision rests with the voters.
rozpocznij naukę
uiteindelijk
Uiteindelijk berust de beslissing bij de kiezers.
eventually
Eventually a compromise was found.
rozpocznij naukę
uiteindelijk
Uiteindelijk werd een compromis gevonden.
recently
The law was recently amended.
rozpocznij naukę
onlangs
De wet werd onlangs gewijzigd.
currently
The country is currently in recession.
rozpocznij naukę
momenteel
Het land bevindt zich momenteel in een recessie.
previously
The minister had previously denied knowledge.
rozpocznij naukę
eerder
De minister had eerder kennis ontkend.
historically
Historically this region has been prosperous.
rozpocznij naukę
historisch gezien
Historisch gezien is deze regio welvarend geweest.
traditionally
Traditionally the party wins in the south.
rozpocznij naukę
traditioneel
Traditioneel wint de partij in het zuiden.
increasingly
People are increasingly concerned.
rozpocznij naukę
steeds meer
Mensen maken zich steeds meer zorgen.
rapidly
The situation is rapidly changing.
rozpocznij naukę
snel
De situatie verandert snel.
gradually
The economy is gradually recovering.
rozpocznij naukę
geleidelijk
De economie herstelt geleidelijk.
significantly
Crime has dropped significantly.
rozpocznij naukę
aanzienlijk
Misdaad is aanzienlijk gedaald.
dramatically
Costs have increased dramatically.
rozpocznij naukę
dramatisch
De kosten zijn dramatisch gestegen.
considerably
The situation has improved considerably.
rozpocznij naukę
aanzienlijk
De situatie is aanzienlijk verbeterd.
substantially
The budget was substantially reduced.
rozpocznij naukę
substantieel
Het budget werd substantieel verlaagd.
slightly
Unemployment fell slightly.
rozpocznij naukę
licht
De werkloosheid daalde licht.
sharply
Prices rose sharply.
rozpocznij naukę
scherp
De prijzen stegen scherp.
steadily
The economy grew steadily.
rozpocznij naukę
gestaag
De economie groeide gestaag.
consistently
The party has consistently opposed the plan.
rozpocznij naukę
consequent
De partij heeft het plan consequent tegengestaan.
effectively
The campaign was effectively managed.
rozpocznij naukę
effectief
De campagne werd effectief beheerd.
successfully
The project was successfully completed.
rozpocznij naukę
succesvol
Het project werd succesvol afgerond.
jointly
The statement was jointly issued.
rozpocznij naukę
gezamenlijk
De verklaring werd gezamenlijk uitgebracht.
publicly
He publicly apologised.
rozpocznij naukę
publiekelijk
Hij verontschuldigde zich publiekelijk.
privately
The deal was privately negotiated.
rozpocznij naukę
privé
De deal werd privé onderhandeld.
formally
The complaint was formally submitted.
rozpocznij naukę
formeel
De klacht werd formeel ingediend.
informally
They informally agreed on the terms.
rozpocznij naukę
informeel
Ze kwamen informeel overeen over de voorwaarden.
voluntarily
He voluntarily stepped down.
rozpocznij naukę
vrijwillig
Hij trad vrijwillig af.
forcibly
They were forcibly removed.
rozpocznij naukę
gedwongen
Ze werden gedwongen verwijderd.
illegally
The building was illegally constructed.
rozpocznij naukę
illegaal
Het gebouw werd illegaal gebouwd.
legally
Is this legally permitted?
rozpocznij naukę
wettelijk
Is dit wettelijk toegestaan?
domestically
The product is sold domestically.
rozpocznij naukę
binnenlands
Het product wordt binnenlands verkocht.
internationally
The agreement was internationally recognised.
rozpocznij naukę
internationaal
De overeenkomst werd internationaal erkend.
globally
The problem affects people globally.
rozpocznij naukę
wereldwijd
Het probleem treft mensen wereldwijd.
locally
The decision was taken locally.
rozpocznij naukę
lokaal
De beslissing werd lokaal genomen.
regionally
The impact is felt regionally.
rozpocznij naukę
regionaal
De impact wordt regionaal gevoeld.
nationally
The campaign ran nationally.
rozpocznij naukę
nationaal
De campagne liep nationaal.
environmentally
The policy is environmentally sound.
rozpocznij naukę
milieuvriendelijk
Het beleid is milieuvriendelijk verantwoord.
economically
The measure is economically justified.
rozpocznij naukę
economisch
De maatregel is economisch gerechtvaardigd.
politically
The decision is politically motivated.
rozpocznij naukę
politiek
De beslissing is politiek gemotiveerd.
socially
The programme is socially beneficial.
rozpocznij naukę
sociaal
Het programma is sociaal voordelig.
culturally
The event is culturally significant.
rozpocznij naukę
cultureel
Het evenement is cultureel significant.
scientifically
The claim is scientifically proven.
rozpocznij naukę
wetenschappelijk
De bewering is wetenschappelijk bewezen.
statistically
The difference is statistically significant.
rozpocznij naukę
statistisch
Het verschil is statistisch significant.
financially
The project is financially viable.
rozpocznij naukę
financieel
Het project is financieel haalbaar.
technically
The system is technically advanced.
rozpocznij naukę
technisch
Het systeem is technisch geavanceerd.
practically
The solution is practically impossible.
rozpocznij naukę
praktisch
De oplossing is praktisch onmogelijk.
theoretically
Theoretically the plan could work.
rozpocznij naukę
theoretisch
Theoretisch zou het plan kunnen werken.
ideally
Ideally the parties would cooperate.
rozpocznij naukę
ideaal gezien
Ideaal gezien zouden de partijen samenwerken.
realistically
Realistically more time is needed.
rozpocznij naukę
realistisch gezien
Realistisch gezien is meer tijd nodig.
relatively
The damage was relatively limited.
rozpocznij naukę
relatief
De schade was relatief beperkt.
comparatively
Comparatively the results are good.
rozpocznij naukę
vergelijkenderwijs
Vergelijkenderwijs zijn de resultaten goed.
proportionally
Costs rose proportionally.
rozpocznij naukę
evenredig
De kosten stegen evenredig.
approximately
Approximately one thousand people attended.
rozpocznij naukę
ongeveer
Ongeveer duizend mensen kwamen opdagen.
roughly
Roughly half of voters agreed.
rozpocznij naukę
ruwweg
Ruwweg de helft van de kiezers stemde in.
precisely
It is not yet precisely known.
rozpocznij naukę
precies
Het is nog niet precies bekend.
exactly
We don't know exactly what happened.
rozpocznij naukę
exact
We weten niet exact wat er is gebeurd.
directly
The minister was directly questioned.
rozpocznij naukę
direct
De minister werd direct ondervraagd.
indirectly
The policy indirectly affects workers.
rozpocznij naukę
indirect
Het beleid beïnvloedt werknemers indirect.
openly
She openly criticised the government.
rozpocznij naukę
openlijk
Ze bekritiseerde de overheid openlijk.
secretly
The deal was secretly negotiated.
rozpocznij naukę
in het geheim
De deal werd in het geheim onderhandeld.
briefly
The president briefly commented.
rozpocznij naukę
kort
De president reageerde kort.
extensively
The topic was extensively covered.
rozpocznij naukę
uitgebreid
Het onderwerp werd uitgebreid behandeld.
thoroughly
The report was thoroughly reviewed.
rozpocznij naukę
grondig
Het rapport werd grondig herzien.
carefully
The data was carefully analysed.
rozpocznij naukę
zorgvuldig
De gegevens werden zorgvuldig geanalyseerd.
urgently
The situation requires urgent action.
rozpocznij naukę
dringend
De situatie vereist dringend actie.
immediately
The measures take effect immediately.
rozpocznij naukę
onmiddellijk
De maatregelen treden onmiddellijk in werking.
temporarily
The border was temporarily closed.
rozpocznij naukę
tijdelijk
De grens werd tijdelijk gesloten.
permanently
The changes are permanent.
rozpocznij naukę
permanent
De wijzigingen zijn permanent.
progressively
Taxes will be progressively raised.
rozpocznij naukę
progressief
Belastingen zullen progressief worden verhoogd.
collectively
We must act collectively.
rozpocznij naukę
gezamenlijk
We moeten gezamenlijk handelen.
independently
The report was produced independently.
rozpocznij naukę
onafhankelijk
Het rapport werd onafhankelijk opgesteld.
consistently
The government acted consistently.
rozpocznij naukę
consequent
De overheid handelde consequent.
transparently
Decisions must be made transparently.
rozpocznij naukę
transparant
Beslissingen moeten transparant worden genomen.
responsibly
Companies must act responsibly.
rozpocznij naukę
verantwoordelijk
Bedrijven moeten verantwoordelijk handelen.
sustainably
Resources must be used sustainably.
rozpocznij naukę
duurzaam
Hulpbronnen moeten duurzaam worden gebruikt.
actively
Citizens should actively participate.
rozpocznij naukę
actief
Burgers moeten actief deelnemen.
passively
The government reacted passively.
rozpocznij naukę
passief
De overheid reageerde passief.
swiftly
The authorities responded swiftly.
rozpocznij naukę
snel
De autoriteiten reageerden snel.
decisively
Leaders must act decisively.
rozpocznij naukę
besluitvaardig
Leiders moeten besluitvaardig handelen.
cautiously
The bank acted cautiously.
rozpocznij naukę
voorzichtig
De bank handelde voorzichtig.
aggressively
The company expanded aggressively.
rozpocznij naukę
agressief
Het bedrijf breidde agressief uit.
peacefully
The protesters marched peacefully.
rozpocznij naukę
vreedzaam
De betogers marcheerden vreedzaam.
violently
The demonstration turned violent.
rozpocznij naukę
gewelddadig
De demonstratie werd gewelddadig.
rapidly
The virus spread rapidly.
rozpocznij naukę
snel
Het virus verspreidde zich snel.
slowly
Recovery is proceeding slowly.
rozpocznij naukę
langzaam
Het herstel verloopt langzaam.
broadly
The law is broadly supported.
rozpocznij naukę
breed
De wet wordt breed gesteund.
narrowly
The bill narrowly passed.
rozpocznij naukę
nipt
Het wetsvoorstel werd nipt aangenomen.
overwhelmingly
The proposal was overwhelmingly approved.
rozpocznij naukę
overweldigend
Het voorstel werd overweldigend goedgekeurd.
unanimously
The council voted unanimously.
rozpocznij naukę
unaniem
De raad stemde unaniem.
partially
The debt was partially repaid.
rozpocznij naukę
gedeeltelijk
De schuld werd gedeeltelijk terugbetaald.
fully
The costs were fully covered.
rozpocznij naukę
volledig
De kosten werden volledig gedekt.
barely
The party barely won the election.
rozpocznij naukę
nauwelijks
De partij won de verkiezing nauwelijks.
hardly
Hardly any progress was made.
rozpocznij naukę
amper
Er werd amper vooruitgang geboekt.
virtually
Virtually all experts agree.
rozpocznij naukę
vrijwel
Vrijwel alle experts zijn het eens.
entirely
The budget was entirely used up.
rozpocznij naukę
geheel
Het budget was geheel opgebruikt.
absolutely
This is absolutely unacceptable.
rozpocznij naukę
absoluut
Dit is absoluut onaanvaardbaar.
firmly
The minister firmly denied the claim.
rozpocznij naukę
vastberaden
De minister ontkende de bewering vastberaden.
strongly
The union strongly opposed the cuts.
rozpocznij naukę
sterk
De vakbond verzette zich sterk tegen de bezuinigingen.
clearly
The data clearly shows a trend.
rozpocznij naukę
duidelijk
De gegevens tonen duidelijk een trend.
openly
He openly admitted the mistake.
rozpocznij naukę
open
Hij gaf de fout open toe.
honestly
She honestly assessed the situation.
rozpocznij naukę
eerlijk
Ze beoordeelde de situatie eerlijk.
fairly
The system must operate fairly.
rozpocznij naukę
eerlijk
Het systeem moet eerlijk functioneren.
equally
All should be treated equally.
rozpocznij naukę
gelijk
Iedereen moet gelijk worden behandeld.
freely
Citizens can freely express opinions.
rozpocznij naukę
vrij
Burgers kunnen vrijelijk meningen uiten.
widely
The report was widely discussed.
rozpocznij naukę
wijd verspreid
Het rapport werd wijd besproken.
deeply
The scandal deeply shocked the public.
rozpocznij naukę
diep
Het schandaal schokte het publiek diep.
seriously
The threat must be taken seriously.
rozpocznij naukę
ernstig
De dreiging moet serieus worden genomen.
genuinely
She is genuinely committed to reform.
rozpocznij naukę
oprecht
Ze is oprecht toegewijd aan hervorming.
largely
The claims are largely unproven.
rozpocznij naukę
grotendeels
De beweringen zijn grotendeels ongegrond.
partly
The crisis is partly self-inflicted.
rozpocznij naukę
ten dele
De crisis is ten dele zelfveroorzaakt.
mostly
The policy was mostly successful.
rozpocznij naukę
meestal
Het beleid was meestal succesvol.
generally
The response was generally positive.
rozpocznij naukę
over het algemeen
De reactie was over het algemeen positief.
commonly
This is commonly misunderstood.
rozpocznij naukę
algemeen
Dit wordt algemeen verkeerd begrepen.
frequently
The topic is frequently debated.
rozpocznij naukę
frequent
Het onderwerp wordt frequent bediscussieerd.
regularly
The figures are regularly updated.
rozpocznij naukę
regelmatig
De cijfers worden regelmatig bijgewerkt.
occasionally
Meetings are occasionally cancelled.
rozpocznij naukę
af en toe
Vergaderingen worden af en toe geannuleerd.
rarely
Such crises are rarely resolved quickly.
rozpocznij naukę
zelden
Dergelijke crises worden zelden snel opgelost.

Musisz się zalogować, by móc napisać komentarz.