słownik niemiecko - niderlandzki

Deutsch - Nederlands, Vlaams

leer po niderlandzku:

1. leeg leeg


De autobatterij is leeg
De tuin is leeg en bruin.
Als de beurs leeg is, is de liefde weg.
Ik heb de doos leeg gevonden.
Ze zat op een leeg strand naar de één voor één aanspoelende golven te kijken.
De doos was leeg toen ik hem openmaakte.
Zonder u was mijn leven helemaal leeg geweest.
Als je binnen drie minuten je bord niet leeg hebt, krijg je geen toetje.
Deze doos is leeg. Er zit niets in.
De bus was leeg, op een oude vrouw na.
De doos is bijna leeg.
Wie paard of vrouw zoekt zonder gebreken, die mag zijn werk wel in de steek laten en bedenken dat zijn bed en stal voor eeuwig leeg zullen blijven.
Het werkt niet zo goed omdat de batterijen bijna leeg zijn.