słownik niemiecko - niderlandzki

Deutsch - Nederlands, Vlaams

stück po niderlandzku:

1. stuk


De afzuigkap is stuk, daardoor verspreidt de vettige wasem van het koken zich nu door de hele keuken.
Goud is een stuk zwaarder dan water.
De organisatie organiseert ieder jaar een stuk of wat ontmoetingen van vrijwilligers die de deuren langs gaan om Friese boeken te verkopen.
Ik ben altijd blij als ik een stuk werk af heb.
Kunt u een stuk papier brengen a.u.b.?
Het sneeuwde tien dagen aan een stuk.
Een delta is een stuk land in de monding van een rivier.
Men moet een paard de rug niet stuk rijden.
Hij bezit een groot stuk grond.
Ge hebt juist een stuk van 50 cent verloren.
Zij sneed de taart in 6 stukken en gaf aan elk kind een stuk.
Hij nam een stuk krijt.
Hij eet aan één stuk door.
Dit stuk speelgoed is van hout.
Die is stuk. Het is beschadigd.