słownik włosko - niderlandzki

italiano - Nederlands, Vlaams

bello po niderlandzku:

1. knap knap


Het meisje dat in de bakkerij werkt, is knap.
Ze zei dat hij er knap uitzag.
Trang is net zo knap als Dorenda.
In het koetsje zat een heer, niet knap, maar ook niet slecht van uiterlijk, niet al te dik, niet al te dun; oud kon hij niet genoemd worden, maar hij was ook niet al te jong.
Beide zussen zijn erg knap.
Zij is knap.
Ze schept op over hoe knap ze is.
Dit is mijn broer. Ziet hij er niet knap uit?
Stel me eens voor aan een of ander knap meisje.

2. heerlijk heerlijk


Mijn vader maakte me een heerlijk middagmaal.
Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.
Na een stevige regenbui geurt het gras zo heerlijk.
Dat smaakt heerlijk