słownik norwesko - niderlandzki

Norsk - Nederlands, Vlaams

barnebarn po niderlandzku:

1. kleinzoon kleinzoon


Hij houdt erg van zijn kleinzoon.
Ze is altijd gelukkig als haar kleinzoon bij haar is.

2. kleindochter kleindochter



3. kleinkinderen kleinkinderen


's Nachts viel er een flink pak sneeuw. De volgende morgen verschenen op de straten oma's met kleinkinderen op sleetjes, en 's middags na schooltijd barstten in het park de sneeuwballengevechten los.
Tante Thea reed naar haar kleinkinderen in Californië.