słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

żyć po niderlandzku:

1. leven


Dima sliep met 25 mannen in één nacht en bracht ze daarna om het leven.
Vanmorgen is bij een aanvaring tussen een binnenvaartschip en een veerpont ten minste één persoon om het leven gekomen. Het is niet bekend of er, behalve de schipper, nog andere opvarenden op de veerpont waren.
In de middeleeuwen garandeerde het Latijn voorlopig een zekere taalgelijkberechtiging in het religieus, cultureel en wetenschappelijk leven.
Iedereen kan een verschil maken in zijn eigen leven en daarmee gezamenlijk de wereld een betere plaats maken voor zichzelf en anderen om zich heen.
Rijkelijk leven.
We moeten samen leren leven als broeders, of we zullen samen sterven als dwazen.
Priemgetallen zijn als het leven, ze zijn helemaal logisch, maar het is onmogelijk er regels voor te vinden, zelfs als je al tijd wijdt aan het nadenken erover.
Het leven is als ganzenborden: je kunt altijd opnieuw beginnen, tenzij je in de put blijft zitten.
Talen zijn niet gebeiteld in steen. Talen leven door ons allemaal.
We leven niet in landen, we leven in onze talen. Dat is jouw thuis, daar en nergens anders.
Laat ons vrolijk zijn, laat ons het leven goed gebruiken, want het leven is niet lang.
Noobs? vroeg Dima met enige boosheid in zijn stem. "Dit is geen videospelletje, Al-Sayib! Dit is het echte leven!"
Ik zou willen dat mijn cijfers me meer konden schelen, maar het lijkt erop dat ik op een gegeven moment in mijn leven besloten heb dat die niet zo belangrijk meer zouden zijn.
Ik bedoel... mijn leven, zei Dima. "Hoe dan ook, er zit 3.000.000 BYR in deze aktetas."
Je bent nog maar aan het begin van je leven, wees niet zo wanhopig!

Niderlandzkie słowo "żyć" (leven) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 201 - 250
Czasowniki niderlandzkie 2
czasowniki pl - nd

2. wonen


Ze wonen vlakbij.
Het merendeel van de mensen die met een vork eten, woont in Europa, Noord-Amerika en Latijns-Amerika; mensen die met stokjes eten, wonen in Afrika, in het Nabije Oosten, in Indonesië en in India.
John kan nu niet in Londen wonen.
In Alaska wonen miljoenen wilde dieren.
Ik weet mijn adres nog niet, ik ga een tijdje bij mijn vriend wonen.
Hij kwam in mijn buurt wonen.
Mars is een veelbelovende plaats waar we misschien kunnen wonen.
Eten met een gezin in Peking, skilopen met een goede vriend in Polen, met een hartsvriendin in Belgrado wonen - dat zou ik zeker niet gedaan hebben zonder Esperanto.
Ze beschouwde Canada als het ideale land om te wonen.
Voor Esperanto zijn communicatiemiddelen zelfs nog meer nodig, omdat esperantisten zeer verspreid over de hele wereld wonen.
Toen ik hier pas was komen wonen, was er hier vlakbij een rotonde waarbij je rechts moest voorsorteren om linksaf te slaan. Die was vast door een Belgische aannemer gebouwd.
In Wit-Rusland wonen aanhangers van verschillende religies.
won, wont, wonen; woonde, woonden; ik heb gewoond
Peter hoeft de vergadering niet bij te wonen.
Ik wil niet op de maan wonen. Overdag is het daar te warm, 's nachts veel te koud.