słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

cegła po niderlandzku:

1. steen steen


Gooi geen steen naar een kat.
Toen ze wakker werden zagen ze een steen naast zich liggen.
De gestadige drup holt de steen.
Verplaats alsjeblieft deze steen van hier naar daar.
Wie heeft een steen gegooid naar mijn hond?
Dit huis is van steen.
Een rollende steen vergaart geen mos zegt een spreekwoord.
Op de grond ligt een steen.
Het is bij hen een huishouden van Jan Steen.
Dat kind wierp een steen naar de hond.
Talen zijn niet gebeiteld in steen. Talen leven door ons allemaal.
Een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.
Wat op de steen staat kan daar niet zonder reden zijn geschreven.
Een steen drijft niet.
Ik kan deze steen niet oppakken.

2. baksteen baksteen


Bob zwemt als een baksteen.