słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

dusza po niderlandzku:

1. ziel ziel


Denk je dat dieren een ziel hebben?
Zonder liefde is een huis niet meer dan een lichaam zonder ziel.
Later, toen ze weg waren gegaan, was er geen levende ziel meer te bekennen op de kade, de stad met zijn cipressen leek totaal uitgestorven, maar de zee bruiste nog en sloeg tegen de kust.
De ogen zijn de spiegel van de ziel.
Mensen zouden hun ziel verkopen om vanaf deze plaatsen naar het concert te luisteren.
Er was geen levende ziel.
De ziel is de gevangenis van het lichaam.
De verbeeldingskracht is de zon van de menselijke ziel.
Individuele vrijheid is de ziel van de democratie.

Niderlandzkie słowo "dusza" (ziel) występuje w zestawach:

holenderski 2