słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

dziesięć po niderlandzku:

1. tien


Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien.
Ik was bijna tien toen mijn ouders mij een wetenschapsset cadeau deden voor Kerstmis.
Het is maar tien graden, en hij loopt in een T-shirt buiten. Ik krijg het al koud als ik naar hem kijk.
Tweeduizend en tien.
Nadat hij tien seconden lang naar een Arabisch liedje had geluisterd, hoorde Dima eindelijk een bekende stem zeggen: "As-salamoe aleikoem!"
Tien jaar zijn verstreken sinds zijn dood.
Bij een bezoek aan mijn geboortestad deze zomer leek hij mij verschillend van wat hij was tien jaar geleden.
De Chinese regering publiceert dagelijks vijf tot tien berichten in Esperanto op esperanto.china.org.cn.
Jongeren tussen tien en twintig zijn Gods straf voor seks.
De nieuwe E10-brandstof bestaat voor tien procent uit bioethanol.
Voordat we naar Tokio kwamen hebben we tien jaar in Osaka gewoond.
Ge kunt tien boeken lezen per week? Bedoelt ge niet per maand?
Toen de grote aardbeving gebeurde, was ik pas tien jaar.
Ons comité bestaat uit tien leden.
Per dag krijg ik vijf frank, maar voor vandaag ben ik dubbel betaald, dat is dus tien frank.

Niderlandzkie słowo "dziesięć" (tien) występuje w zestawach:

Lekcja 2 niderlandzki LICZBY
przypadkowe slowa
Dutch numbers