słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

jednakże po niderlandzku:

1. evenwel


Dit argument kan evenwel niet worden aanvaard.

2. echter


dat is echter niet gebeurd
De zon is altijd daar; vaak echter verscholen achter wolken.

3. toch


Kom toch!
Ik liep zo hard als ik kon, maar toch miste ik de bus.
Nu we het toch over vreemde talen hebben, spreken jullie Frans?
U zou toch moeten weten dat je een dame niet naar haar leeftijd vraagt.
Hoe hard je ook "Oe-oe!" roept, in een wolf verander je toch niet.
Doe wat ge wilt, gekletst wordt er toch.
Wiskunde is als liefhebben - een eenvoudig idee, dat toch ingewikkeld kan worden.
Van zulke motregen word je toch altijd natter dan je denkt, als je er een tijdje in fietst zonder regenpak.
Wist ik veel dat je geen tomaat lust. Dat kan ík toch niet ruiken! Dat had je van tevoren moeten zeggen.
En trouwens, haastte Dima zich toe te voegen, terwijl hij zijn rekenmachientje tevoorschijn haalde en 0,99 deelde door 3.000.000, alvorens het te vermenigvuldigen met 100, "u realiseert zich toch wel dat u maar 0,0033% zou verliezen, hè?"
Dat u zo'n end niet meer kan lopen is toch niks om u voor te schamen?! Je zal ze de kost moeten geven die op uw leeftijd überhaupt niet meer kunnen lopen.
Toch verloochent de zangeres haar afkomst niet.
Waar slaat dat nou weer op? Ik toch niks verkeerd gedaan? Waarom loop je me dan uit te schelden?
Toch wel.
Is de hoofdstad van de Verenigde Staten van Amerika Washington of toch New York?

Niderlandzkie słowo "jednakże" (toch) występuje w zestawach:

Kalle en de Killercactus 1