słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

karta po niderlandzku:

1. kaart kaart


Er ligt één kaart op tafel.
Deze plek staat niet op de kaart.
Wat is de cash-limiet voor deze kaart?
Wat stellen deze punten op de kaart voor?
De dikke lijnen op de kaart zijn wegen.
Hij bestudeerde de kaart om een binnenweg te vinden.
Er hangt een kaart aan de muur.
Ze zaten aan tafel en speelden kaart.
Hier uw kaart met de afspraak.
Hoe gebruikt men die kaart?
Hij kaart graag.
De rode lijnen op de kaart stellen spoorwegen voor.
Laten we kaart spelen.
Kunt ge mij Porto Rico tonen op de kaart?

2. de kaart



Niderlandzkie słowo "karta" (de kaart) występuje w zestawach:

1000 rzeczowników po niderlandzku 301 - 350