słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

marzyć po niderlandzku:

1. dromen dromen


Ge doet mij dromen.
Ik hoop dat al je dromen uitkomen, op één na, zodat je steeds iets hebt om na te streven.
Hoe zou ik een robot kunnen zijn? Robots dromen niet.
Ik heb veel dromen.
Ik weet niet waarom ze er in mijn dromen niet is. Misschien wil ze er niet zijn zodat ze me niet stoort.
Als ik veel eet 's nachts, heb ik kwade dromen.
Met deze telescoop kun je sterren en dromen zien.
Mijn ogen zijn een oceaan waarin mijn dromen weerspiegelen.
Iedereen wil graag geloven dat dromen uit kunnen komen.
Enkele mensen dromen van een eigen huis boven op een heuvel.
Sommige dromen zijn een glimp van de toekomst.
Hij was de man van haar dromen.
Geluk is meer dromen hebben dan de realiteit kan vernietigen.

Niderlandzkie słowo "marzyć" (dromen) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 151 - 200