słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

napój po niderlandzku:

1. de drank de drank



2. drank drank


Je moet niet rijden onder invloed van drank.
Welke drank bevat cafeïne?
Geen wonder dat ge koppijn hebt, na al die drank gisteravond.
Geen drank heb ik liever dan lekker water.
Wegens je ziekte mag je nu geen alkoholische drank innemen!

Niderlandzkie słowo "napój" (drank) występuje w zestawach:

holenderski 2

3. drankje drankje


Stop met mij te vragen om een drankje. Ga, en haal er zelf een!
Ik heb zin in een drankje.