słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

owca po niderlandzku:

1. schaap schaap


Wie zich tot schaap maakt, wordt door de wolven gevreten.
Als er één schaap over de dam is, volgen er meer.
Democratie moet meer zijn dan twee wolven en een schaap die stemmen over wat ze 's avonds zullen eten.
Vroeger vroegen de kleintjes me een schaap voor ze te tekenen, nu willen ze dat ik ze leer hoe je een commit doet. Tijden veranderen.
We kunnen thuis geen schaap houden. Wat moeten we er daar mee doen?
Een slapende wolf vangt geen schaap.
Teken een schaap voor mij!

Niderlandzkie słowo "owca" (schaap) występuje w zestawach:

frazeologia i paremiologia

2. het schaap het schaap



3. schapen schapen


Schapen staan 's winters langer in de wei dan koeien.
Er zijn schapen, er komt wol.
Kaas is een vast voedsel dat wordt geproduceerd van melk van koeien, geiten, schapen of andere zoogdieren.