słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

praca po niderlandzku:

1. baan baan


Ik heb nog geen baan gevonden.
Als zijn vrouw er niet voor hem was geweest, was hij niet van baan gewisseld.
Wat wil je vraagteken voor de nieuwe baan.
Ik dacht net aan een nieuwe baan.
De satelliet bevindt zich in een baan om de maan.
Hebben er in jouw stad veel mensen een tweede baan?
Een vrachtwagen reed met volle snelheid op de baan.
Hij werkt niet alleen niet, maar zal ook geen baan vinden.
Ik ben niet gelukkig met de baan die ik nu heb.
Ik zoek een baan.
Hij is zeker weten de beste man voor deze baan.
Dat kost me mijn baan.

Niderlandzkie słowo "praca" (baan) występuje w zestawach:

Les 11 Les 34
Slowka holenderski

2. het werk het werk



Niderlandzkie słowo "praca" (het werk) występuje w zestawach:

1000 najpopularniejszych słów po niderlandzku 176 ...