słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

sól po niderlandzku:

1. zout zout


Kunt u mij het zout even aangeven?
Geef je me het zout, alstublieft?
Zout in de wonde strooien.
Denk je dat een beetje zout de smaak zou verbeteren?
Beter ongezouten dan met te veel zout.
Hij deed per ongeluk zout in zijn kopje koffie.
Zij heeft suiker en zout verwisseld.
Hij verkoopt suiker en zout in de winkel.
Is er nog zout over?
Er is geen zout.
Zeewater kun je niet drinken omdat het te zout is.
Zout water heeft meer drijfvermogen dan zoet water.
Zouden we er een beetje meer zout bij doen?

Niderlandzkie słowo "sól" (zout) występuje w zestawach:

frazeologia i paremiologia

2. het zout het zout



Niderlandzkie słowo "sól" (het zout) występuje w zestawach:

café en restaurant - kawiarnia i restauracja

3. zoutje zoutje