słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

suchy po niderlandzku:

1. droog droog


Hij heeft droog haar.
Als het niet regent, hebben we droog weer.
Droog je tranen.
Zijn mijn sokken al droog?
Heren, doe de bril omhoog! Dames zitten ook graag droog.
De put viel droog.
De school legt de vijver eens per maand droog.
Droog zand neemt water op.

Niderlandzkie słowo "suchy" (droog) występuje w zestawach:

300 określeń po niderlandzku 51 - 100