słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

szansa po niderlandzku:

1. kans


Hij had een kans om te genezen.
Ze waren al zes maand aan het oefenen in hun garage, toen ze plots de kans kregen een geluidsopname te maken in een studio.
De kans op promotie is klein in dit bedrijf.
Het spijt mij dat ik de kans gemist heb haar te ontmoeten.
Je krijgt nooit een tweede kans om een eerste indruk te maken.
Een machinevertaalsysteem, dat een tussentaal gebruikt, waarin de woorden zoveel mogelijk éénduidig zijn, heeft meer kans op slagen.
Ik heb nog niet de kans gehad mij aan haar voor te stellen.
In een schip zitten is in de gevangenis zitten, met de kans op verdrinken.
Geef de vrede een kans.
Er bestaat geen enkele kans.
Er is een kans dat hij met vrucht door het examen geraakt.
De kans dat hij op tijd aankomt is klein.
Ik had nooit begrepen waarvoor de eeuwigheid nuttig kon zijn. Ze is nuttig om ons de kans te geven Duits te leren.
Er is een kans dat kraanwater giftige stoffen bevat zoals chloor en lood.
Iedereen verdient een tweede kans.

Niderlandzkie słowo "szansa" (kans) występuje w zestawach:

słówka zo gezegd 1 i 2