słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

szkoła po niderlandzku:

1. de school de school


Ik haat de school.

Niderlandzkie słowo "szkoła" (de school) występuje w zestawach:

1000 najpopularniejszych słów po niderlandzku 351 ...

2. school school


Uniformen verschillen van school tot school.
Ga naar school.
Twintig minuten waren er nodig om te voet van het station naar de school te gaan.
De directeur van de school wil de kantine sluiten en een nieuwe recreatieruimte creëren voor de studenten.
Door zijn armoede had hij geen andere keus dan de school te verlaten.
Ze kwam tijdig op school aan ondanks de sneeuwstorm.
Op school hebben ze één uur met haar gepraat.
Elke dag gaat Béla met zijn zoon naar school, want hij is een zorgzame vader.
Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.
De afgelopen tijd is er veel gesproken over de architectuur van de nieuwe school.
Na de school spelen we dikwijls schaak.
Alle leerlingen van deze school moeten naast Engels nog een andere vreemde taal leren.
Er zijn eenenveertig leraars en ongeveer achthonderd leerlingen in deze school.
Als je vandaag weer een uur op school blijft hangen voor je thuiskomt, dan zwaait er wat.
Het spijt hem dat hij niet harder gewerkt heeft op school.