słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

wioska po niderlandzku:

1. het dorp het dorp



2. dorp dorp


Ze woont in een dorp.
Iedereen in het dorp kende hem.
Vorig jaar kwam ik terug thuis en was ik verrast, dat het dorp en de mensen helemaal veranderd waren.
Kunt u me uitleggen waarom er in bijna elk dorp twee kerken zijn?
Weet jij in welk dorp hij geboren is?
Is het internet bereikbaar in het dorp?
Vandaag is de melkboer begraven. Er was veel volk, want op het dorp kende iedereen hem. "O, is er in Linschoten een melkboer?" "Nou nee, nu dus niet meer!"
Welk verschil is er tussen een dorp en een stad?
Als ge deze bus neemt, zult ge het dorp bereiken.
Een klein dorp groeide uit tot een grote stad.
Steeds wanneer ik naar deze foto kijk, herinner ik me die gelukkige dagen in het dorp.
De straat gaat omhoog naar het dorp.
Het dorp is afgezonderd van de rest van de wereld.
Men zou een dorp in Afrika kunnen voeden van het geld dat een iPhone-abonnement kost.
Al wie in dit dorp werkt heeft een huis.