słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

wycieczka po niderlandzku:

1. tocht tocht


Doe de deur eens dicht, het tocht hier.

2. uitje uitje


We maken een uitje naar de bergen.

Niderlandzkie słowo "wycieczka" (uitje) występuje w zestawach:

Niderlandzki w cwiczeniach cz.6

3. het uitje het uitje



4. trip trip


We plannen een trip naar New York.

5. excursie excursie


Neemt ge ons volgende zondag mee op excursie?
Laten we een excursie doen dit weekeinde.

6. het uitstapje het uitstapje



7. de excursie de excursie



Niderlandzkie słowo "wycieczka" (de excursie) występuje w zestawach:

1000 rzeczowników po niderlandzku 551 - 600

8. wandelen wandelen


Wat zeg je over samen wandelen onder een lichte regen?
Het is zijn gewoonte vroeg in de ochtend altijd te gaan wandelen.
Hij ging wandelen.
Ik kan amper wandelen.
Ik zou liever wandelen dan naar de film te kijken.
Ik kan niet zo snel wandelen als hij.
Op een zonnige dag in april ging ik wandelen.
Ik ging buiten wandelen om wat frisse lucht in te ademen.
Deze twee vrienden wandelen altijd samen.
Wandelen is een gezonde soort oefening.
Mijn vader gaat iedere morgen wandelen.
Mijn opa houdt van wandelen.
Laten we na het eten langs het strand wandelen.
Als het zo lichtjes regent, ga ik graag wandelen in een park.
Ze gaat graag alleen wandelen.