słownik rosyjsko - niderlandzki

русский язык - Nederlands, Vlaams

деревня po niderlandzku:

1. dorp dorp


Ze woont in een dorp.
Al wie in dit dorp werkt heeft een huis.
Men zou een dorp in Afrika kunnen voeden van het geld dat een iPhone-abonnement kost.
Het dorp is afgezonderd van de rest van de wereld.
De straat gaat omhoog naar het dorp.
Steeds wanneer ik naar deze foto kijk, herinner ik me die gelukkige dagen in het dorp.
Een klein dorp groeide uit tot een grote stad.
Als ge deze bus neemt, zult ge het dorp bereiken.
Welk verschil is er tussen een dorp en een stad?
Vandaag is de melkboer begraven. Er was veel volk, want op het dorp kende iedereen hem. "O, is er in Linschoten een melkboer?" "Nou nee, nu dus niet meer!"
Is het internet bereikbaar in het dorp?
Weet jij in welk dorp hij geboren is?
Kunt u me uitleggen waarom er in bijna elk dorp twee kerken zijn?
Vorig jaar kwam ik terug thuis en was ik verrast, dat het dorp en de mensen helemaal veranderd waren.
Iedereen in het dorp kende hem.