słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

łączyć po niderlandzku:

1. samenvoegen samenvoegen



2. binden binden


In 1966 kwam er een internationaal verdrag dat wel bindend was voor staten.
binden, bond, gebonden. Vader bond de hond aan de ketting vast. Je bent door je belofte gebonden.

3. verbinden


De nieuwe tunnel zal Groot-Brittannië verbinden met Frankrijk.
De nieuwe tunnel zal Frankrijk met Engeland verbinden.

4. aansluiten


Ik zou me graag bij jullie groep aansluiten.
Ge moogt op ieder moment bij ons aansluiten.

5. Koppelen