słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

góra po niderlandzku:

1. top top


De top van de berg is bedekt met sneeuw.
Er zijn twee sleepliften waarmee je op de top van deze berg kan komen, een ankerlift en een pannenkoeklift.
De top van de heuvel is plat.
Uiteindelijk bereikten we de top van de berg.
De top van de speer was gedrenkt in een dodelijk vergif.

2. berg berg


Hoe hoog is die berg?
Mijn oom bezit een berg geld.
Wat is de hoogste berg van Noord-Amerika?
De straat kronkelde de berg op.
De berg Fuji ziet er mooi uit bij zonsondergang.
De berg heeft een muis gebaard.
Het hotel staat op een berg.
De berg is bedekt met sneeuw.
Hij beklom de berg om nooit meer terug te komen.
Er zijn twee sleepliften waarmee je op de top van deze berg kan komen, een ankerlift en een pannenkoeklift.
Er is een nieuwe tunnel door de berg aangelegd.
Bekijk deze hoge berg.
Doorboort een druppel de granieten berg?
Laten we die berg beklimmen om het te zien.
De zon is ondergegaan achter een berg.

Niderlandzkie słowo "góra" (berg) występuje w zestawach:

Terminy geograficzne po holendersku