słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

myśl po niderlandzku:

1. de gedachtegang de gedachtegang



2. gedachte gedachte


Twee zielen, één gedachte.
De gedachte ging door zijn hoofd.

3. dacht dacht


Ik dacht aan u.
Later, in zijn hotelkamer, dacht hij aan haar, aan dat ze hem morgen waarschijnlijk zou ontmoeten.
Natuurlijk moet je betalen! Wat dacht jij dan?
Ik dacht altijd dat een hartaanvaal de manier was waarop de natuur je vertelt dat je moet sterven.
Aan haar meerdere zei ze wat ze dacht.
Ik heb echt nieuwe kleren nodig dacht Dima.
Ik ben zeker dat hij in mij mijn zus dacht te herkennen.
Als ze hier zonder man en zonder kennissen is, dacht Goerov, dan zou het geen kwaad kunnen om met haar kennis te maken.
Ach wat... dacht Dima. "Ik geloof niet dat ik op zo'n moment als nu kieskeurig mag zijn."
Dit is wat ik dacht.
Het meisje had bij de slalomwedstrijd de negentiende plaats behaald. Ze dacht dat dat erg goed was, want negentien is immers een groot getal.
Ik was blij haar stem te horen, maar haar eerste zin was: "Ik dacht al dat ge mij vergeten waart."
Ik weet dat je denkt dat je hebt begrepen wat je dacht dat ik gezegd heb, maar ik weet niet zeker of je je wel gerealiseerd hebt dat wat jij gehoord hebt niet is wat ik bedoelde.
Natuurlijk dacht hij dat het een grap was en wimpelde hij het voorbij met een "hm?" maar hij zat er erg mee verveeld. Ik bedoel, zulke dingen zeg je niet ook al is het bedoeld als grap!
De vorige persoon aan wie ik mijn idee vertelde, dacht dat ik gestoord was.