słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

ramię po niderlandzku:

1. arm arm


Ik zag hen arm in arm lopen.
Hij is heel zijn leven arm geweest.
Ik help graag arme mensen
Om een goede advocaat in de arm te nemen? vroeg Al-Sayib.
Arm zijn is geen schande.
Hij is arm, maar eerlijk.
De wonde in de arm liet een litteken na.
Hij was erg arm.
Hij werd zo arm geboren dat hij nauwelijks naar school geweest is.
Ik kom uit een arme familie.
Omdat al zijn vrienden ook arm waren.
Wie arm is, heeft kinderen genoeg.
De politieman greep de man bij de arm.
Ze mogen dan arm zijn, maar zijn rijk van geest.
Ik denk niet dat arm zijn iets is om je voor te schamen.

2. de schouder de schouder



Niderlandzkie słowo "ramię" (de schouder) występuje w zestawach:

Het lichaam (het lijf)
przypadkowe slowa

3. het arm het arm



Niderlandzkie słowo "ramię" (het arm) występuje w zestawach:

słówka - kurs podstawowy

4. de arm de arm



Niderlandzkie słowo "ramię" (de arm) występuje w zestawach:

1000 rzeczowników po niderlandzku 351 - 400