słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

rolnik po niderlandzku:

1. de agrariër de agrariër



2. boer boer


Als de vos de passie preekt, boer, let op uw kippen.
Wat de boer niet kent, dat vreet hij niet.
De boer bewerkt met zorg zijn land.
Spreek niet zo dom! zei de boer.
Valt de boer dood van de tractor, staat aan de bosrand een reactor.
He, Willy riep de boer luid.
Valt de maan 's nachts op de daken, doet hij iedere boer ontwaken.
Hij wilde boer worden.
Wat bedoel je? vroeg Dima, maar liet een boer, want als hij stil zou blijven, zou deze zin te eenvoudig zijn.

3. de boer de boer