słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

temat po niderlandzku:

1. het onderwerp


het onderwerp bij gesprek

2. de onderwerp



3. onderwerp


Het homohuwelijk is onderwerp van veel discussies.
Ik ben blij uw gedachten over dat onderwerp te horen.
In gesprekken ben ik maar degene die antwoordt, ik kan niet zelf een onderwerp aansnijden.
Wiskunde is een gemakkelijk onderwerp voor mij.
Maar nu het volgende onderwerp.
Ze veranderde van onderwerp.
Over dat onderwerp hebben ze dezelfde mening.
We hebben lang over het onderwerp gediscussiëerd.
We praten samen over verschillende onderwerpen.
Er zijn heel wat boeken over het onderwerp.

Niderlandzkie słowo "temat" (onderwerp) występuje w zestawach:

słówka zo gezegd 1 i 2

4. thema


Ons thema van de week is: _____.
Na tien minuten gingen ze over op een volgend thema.

Niderlandzkie słowo "temat" (thema) występuje w zestawach:

test 5-6 dział