słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

uciec po niderlandzku:

1. ontsnappen ontsnappen


Het lijkt er op dat we aan het gevaar zijn kunnen ontsnappen.
Zij liepen in de tuin om aan die bloeddorstige honden te ontsnappen.
De enige manier om aan een verleiding te ontsnappen is eraan toegeven.
Het meisje liet de vogel ontsnappen.
Zijn poging tot ontsnappen was geslaagd.
Ze gaven hem een kans om te ontsnappen.
Het lukte hem te ontsnappen.
Niemand kan de dood ontsnappen.
Hij probeerde te ontsnappen.