słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

wiedza po niderlandzku:

1. kennis kennis


Aangenaam kennis te maken.
Hij heeft én kennis, én ervaring.
Als ze hier zonder man en zonder kennissen is, dacht Goerov, dan zou het geen kwaad kunnen om met haar kennis te maken.
Sommigen beschouwen taal als een vorm van kennis.
Hij beschikt over ongelooflijke kennis. Hij is een levende encyclopedie.
Kennis is macht.
Nieuwsgierigheid is niets anders dan ijdelheid. Vaker wel dan niet wil men kennis bezitten om erover op te scheppen.
Zijn kennis van aardrijkskunde is niet voldoende.

Niderlandzkie słowo "wiedza" (kennis) występuje w zestawach:

Taaltalent 4