słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

zmuszać po niderlandzku:

1. kracht


Een vriendelijk woord bereikt meer dan brute kracht.
Piekeren neemt de zorgen voor morgen niet weg, maar wel de kracht van vandaag.
God is onze kracht.
Ik geloof in geestelijke kracht en zal je nooit verlaten.
Waar de kracht regeert, zwijgt het recht.
Moge de kracht met je zijn.
Onderschat mijn kracht niet.
Ik probeerde met al mijn kracht de deur open te krijgen.
Dat heeft mij kracht gegeven om door te gaan.

2. dwingen


dwing, dwingt, dwingen; dwong, dwongen; ik heb gedwongen
De politie zal jullie dwingen de kogels te vinden.

Niderlandzkie słowo "zmuszać" (dwingen) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 51 - 100